Vonnis van Raad van State, 23 oktober 2018

Datum uitspraak:23 oktober 2018
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Art. 1.3.2, § 3, derde lid, 7° en 8°, VCRO voorziet er uitdrukkelijk er dat de Procoro mede wordt samengesteld uit leden-deskundigen die werkzaam zijn op het provinciebestuur. Deze omstandigheid toont derhalve nog geen ontoelaatbare vooringenomenheid of partijdigheid in hun hoofde aan. Verder bestaat er in hoofde van de leden een plicht om zich te onthouden van deelname aan de besprekingen en... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

A R R E S T

nr. 242.752 van 23 oktober 2018 in de zaak A. 218.423/X-16.528.

In zake : de VZW REGIONALE ACTIEGROEP LEEFMILIEU DENDER

EN SCHELDE woonplaats kiezend te 9290 Berlare Wakkebroekstraat 9 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Callebaut kantoor houdend te 9300 Aalst Binnenstraat 39

tegen :

  1. de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen

    Tussenkomende partij :

  2. de STAD DENDERMONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 Gent

    Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4

  3. de REGIE DER GEBOUWEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D‟Hooghe, Jan Bouckaert, Guan Schaiko en Yves Sternotte kantoor houdend te 1000 Brussel

    Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen

    --------------------------------------------------------------------------------------------------

    I. Voorwerp van het beroep

    1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de provincieraad van de provincie OostVlaanderen van 7 oktober 2015 houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde III”, in zoverre dit het deelplan 2 “Dendermonde West” betreft.

    II. Verloop van de rechtspleging

    2. Bij arrest nr. 240.666 van 6 februari 2018 is het debat heropend.

    Eerste auditeur Tom De Waele heeft een aanvullend verslag opgesteld.

    De verzoekende partij, de tweede verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2018.

    Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

    Advocaat Joost Callebaut, die verschijnt voor de verzoekende partij, jurist Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, advocaat Florence Lobelle, die loco advocaat Peter De Smedt verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.

    Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    III. Feiten

  4. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ‟s Raads arrest nr. 240.666 van 6 februari 2018.

    IV. Onderzoek van de middelen

    A. Eerste middel

    Uiteenzetting van het middel

    4.1. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 1.3.2, § 5, en 2.2.10, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: de VCRO), de artikelen 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 „tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, organisatie en werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000), en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald het beginsel van fair play en het vertrouwensbeginsel”.

    Zij voert aan dat een aantal leden van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Procoro) “persoonlijk belanghebbende” zijn bij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde III” (hierna: het PRUP), en toch de bespreking en beraadslaging over het dossier in die commissie hebben bijgewoond. De behandeling van de bezwaren en het adviseren over het PRUP door de Procoro bleef volgens de verzoekende partij “beperkt tot een formalistisch[e] goedkeuring van een vooraf door de planmakers volledig uitgeschreven 53 paginalang advies”.

    De verzoekende partij zet verder uiteen dat op de vergadering van de Procoro van 8 september 2018 M.C., P.W. en M.V. aanwezig waren, die allen deel uitmaken van het “projectteam voor het PRUP”. M.C. en P.W. maken deel uit van het “dagelijks bestuur van het project”, zijn in dienst bij de eerste verwerende partij en traden ook op als interne deskundige bij de opmaak van het plan-MER. M.C. en M.V. zijn leden van de Procoro en namen deel aan de beraadslaging en de stemming. P.W. is geen lid van de Procoro maar zorgde voor de toelichting van het PRUP en bleef aanwezig “bij de beraadslaging en de stemming over het PRUP en de ingediende bezwaren”, in strijd met artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000.

    Op de vergadering van de Procoro van 8 september 2015 waren volgens de verzoekende partij ook H.D.P., L.D.R., E.V.S. en L.B. aanwezig, die allen in dienst zijn van de eerste verwerende partij en effectief lid zijn van de Procoro. Zij zijn allen “vanuit hun expertise betrokken bij het voorliggende PRUP” en “alleen al het gegeven dat ze in dienst zijn van [eerste] verwerende partij doet een redelijke twijfel ontstaan over hun onpartijdigheid”. De verzoekende partij verwijst in dit verband naar ‟s Raads arrest nr. 209.269 van 29 november 2010 dat volgens haar “mutatis mutandis” geldt in huidige zaak.

    Verzoekster betoogt verder dat het vooraf door de “planmakers” geschreven advies op enkele details na ook het definitief advies is geworden. De vergadering van de Procoro van 8 september 2015 werd “georganiseerd als een in belangrijke mate formalistische goedkeuring van het door de planmakers vooraf geschreven advies”, wat volgens hen ook blijkt uit het gegeven dat de uitvoerige agenda in een tijdspanne van tweeënhalf uur werd behandeld. Een en ander wijst er volgens de verzoekende partij op dat de “planmakers” zelf de tegen hun plan ingediende bezwaren hebben behandeld, waarbij de bespreking in de Procoro niet veel meer dan “een gedachtewisseling” was. De normaliter door de Procoro waar te nemen taken werden “de facto uitbesteed aan de planmakers”, zodat “volledig [werd] verzaakt aan een zorgvuldige behandeling van de bezwaren door een volledig onafhankelijk adviesorgaan”.

    4.2. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de Procoro ook bij afwezigheid van de vertegenwoordigers van de provincie nog geldig kan vergaderen. De “praktische beslommeringen” die een en ander meebrengt kunnen volgens haar “geen enkele afbreuk doen aan de noodzakelijke onafhankelijkheid van de aan de bespreking en beraadslaging deelnemende leden van de Procoro”. De betreffende ambtenaren konden volgens verzoekster nog steeds het plan in de Procoro toelichten en op die wijze hun expertise inbrengen. Zij meent dat M.C. en P.W. actief deelnamen aan het project en dus overduidelijk hun eigen werk hebben beoordeeld. De eerste verwerende partij spreekt volgens haar ook niet tegen dat M.C. het eerste kwartier van de vergadering voorzat, en mogelijk ook wat “agendapunt 2 over het voorliggende PRUP” betreft. Voor M.V. bestaat het knelpunt erin dat hij als lid van het projectteam actief heeft deelgenomen aan de opmaak van het PRUP en zijn eigen werk heeft beoordeeld. P.W., die geen deel uitmaakt van de Procoro, kan “uiteraard niet deelnemen aan de beraadslaging en de stemming”, maar heeft volgens zijn eigen verklaring een toelichting gegeven en volgens de verklaring van de Procoro ook deelgenomen aan het debat. De verzoekende partij meent dat een verbetering van het verslag “via een goedkeuring in en door de Procoro” [dient] te gebeuren. De verklaring van P.W. dat hij de vergadering vroegtijdig heeft verlaten, acht de verzoekende partij tegenstrijdig met het standpunt van de eerste verwerende partij dat er in hoofde van haar provinciale vertegenwoordigers geen belangenconflict is. Er valt volgens haar “niet te begrijpen dat dit in het verslag niet is vermeld”.

    4.3. De verzoekende partij stelt in haar aanvullende laatste memorie haar betoog toe te zullen spitsen op M.C. en M.V. Zij betoogt dat de beide Procoro-leden door hun jarenlange betrokkenheid bij het zeer gecontesteerde PRUP moeilijk zonder gezichtsverlies de essentie van het PRUP, namelijk de locatiekeuze voor de gevangenis, in vraag konden stellen. Zij wijst in dit verband op de “concrete elementen” dat beide personen “persoonlijk vermeld [worden] op de colofon van de toelichtingsnota als leden van het „dagelijks bestuur‟ en projectteam” en dat deze “overlegorganen worden genoemd als onderdeel van de procesorganisatie die ertoe leidt dat het planningsproces wordt gevoerd in samenwerking tussen drie beleidsniveaus”. Tot slot wijst de verzoekende partij er

    op dat M.V. geen personeelslid is van de provinciale administratie, en dan ook niet mocht deelnemen aan beraadslagingen over het plan waarbij hij zelf betrokken is.

    Beoordeling

    5.1. De door de verzoekende partij aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur wordt niet toegelicht. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

    5.2. Het toentertijd geldende artikel 1.3.2, § 5, VCRO, luidt:

    “Het is voor een lid van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.

    Voor de toepassing van het eerste lid worden personen die wettelijk samenwonen, met echtgenoten gelijkgesteld.”

    Artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 luiden:

    “Art. 8. De commissie kan voor de behandeling van een onderwerp al de nodige instanties en personen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT