Arrest nr. 150/2017 van Grondwettelijk Hof, 21 december 2017

Datum uitspraak:21 december 2017
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 1 april 2016 tot wijziging van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening wat de beperking van openingsuren in badplaatsen en toeristische centra betreft (art. 2)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 1 april 2016 tot wijziging van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening wat de beperking van openingsuren in badplaatsen en toeristische centra betreft, ingesteld door de bvba « SPK » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 oktober 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 oktober 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van de wet van 1 april 2016 tot wijziging van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening wat de beperking van openingsuren in badplaatsen en toeristische centra betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 april 2016) door de bvba « SPK », de bvba « Farok », de bvba « SB Rahimi », Mohammed Syed, de bvba « Dilan », Amir Hassan, de bvba « PS », Shahidul Khan, de bvba « Chahal », de bvba « K&I International », de bvba « Nasim », Khan Gulzar, de bvba « Fresh & Cheap », de bvba « New Continental », de vof « Asia-Pak », de bvba « Ragai Express », de bvba « Prins », de bvba « Grover », de bvba « S. Alam Gir », de bvba « Guru Nanak », de bvba « Pardeep & Jasahil », Mohammad Giash Uddin Kabir, de cvba « Schoonbeke », de bvba « Paul Traders » en Mohammed Haque, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. Maenhout, advocaat bij de balie te Antwerpen.

Memories zijn ingediend door :

- de bvba « Winnona », de bvba « Shopping Paradise », de bvba « Zaima », de gcv « Noungko », Mohammad Islam, handel drijvend onder de naam Shawdagar Trading, Hasham Abul, de bvba « Nachtroer », Khan Suman en Abdul Sattar, handel drijvend onder de naam Fahim Enterprise, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Lesaffer, advocaat bij de balie te Antwerpen;

- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel.

De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.

Bij beschikking van 21 juni 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 juli 2017 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 juli 2017 in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte

-A-

Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

A.1.1. De Ministerraad betwist de bevoegdheid van het Hof. Het werkelijke onderwerp van het beroep is volgens de Ministerraad het gemeentereglement van 27 juni 2016 van de stad Antwerpen.

A.1.2. De verzoekende partijen antwoorden dat het beroep gericht is tegen een wetskrachtige norm, en dat zij niet vragen dat het Hof zich uitspreekt over het gemeentereglement van de stad Antwerpen van 27 juni 2016.

Ten aanzien van de tussenkomst

A.2. De bvba « Winnona », de bvba « Shopping Paradise », de bvba « Zaima », de gcv « Noungko », M. Islam, H. Abul, de bvba « Nachtroer », K. Suman en A. Sattar menen dat zij, als uitbaters van nachtwinkels gelegen in het erkende toeristische centrum van de stad Antwerpen, belang hebben om tussen te komen ter verdediging van de bestreden bepalingen.

Ten gronde

Ten aanzien van het eerste middel

A.3.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33 en 108 ervan, doordat de vestigingseenheden in de toeristische centra door de bestreden bepaling zonder verantwoording worden uitgesloten van het optreden van de wetgever inzake het bepalen van hun openingsuren, in tegenstelling tot de vestigingseenheden die niet zijn gelegen in de toeristische centra. De verzoekende partijen klagen aan dat de bestreden bepaling aan de gemeenteraad de mogelijkheid biedt om af te wijken van de uitzonderingsregeling inzake openingsuren in de toeristische centra, terwijl artikel 17, eerste lid, van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening (hierna : wet van 10 november 2006) het bovendien aan de Koning overlaat om vast te leggen wat onder « toeristische centra » moet worden verstaan. De verzoekende partijen voegen hieraan toe dat in de bestreden bepalingen geen enkel criterium is opgenomen dat het optreden van de gemeenteraad beperkt, en dat zo een essentiële beleidskeuze wordt gedelegeerd aan de gemeente.

A.3.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het eerste middel, omdat hij van oordeel is dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarom de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zouden zijn. Bovendien gebruiken de verzoekende partijen in het verzoekschrift de term « subdelegatie », terwijl zij die term niet meer gebruiken in hun memorie van antwoord.

A.3.3. Volgens de Ministerraad voorziet niet de Koning, maar de wetgever zelf in een afwijking van het principiële verbod inzake openingsuren op basis van artikel 6, a) en b), van de wet van 10 november 2006 door in artikel 17, eerste lid, van de wet van 10 november 2006 te bepalen dat dit verbod niet van toepassing is in de badplaatsen en de toeristische centra. De Koning bepaalt enkel wat moet worden verstaan onder toeristische centra. Er is volgens de Ministerraad dan ook geen sprake van een ontoelaatbare subdelegatie aan de gemeenteraad. Het is immers de wetgever die de bevoegdheid om, indien nodig, sluitingsuren te bepalen, rechtstreeks aan de gemeenteraad geeft.

Bovendien stelt de Ministerraad dat de bestreden bepaling geenszins de mogelijkheid invoert voor de gemeenten om terug te komen op hun erkenning als toeristisch centrum of hun statuut van badplaats. De wetgever brengt de in de wet bepaalde uitzondering op de algemeen verplichte sluitingsuren geenszins in het geding. Wel stelde hij vast dat de uitzonderingsregeling inzake badplaatsen en toeristische centra, dat in principe toelaat dat vestigingseenheden 24 uur op 24 geopend zijn, toeliet eventuele gemeentelijke reglementen inzake nachtwinkels te omzeilen. Met het oog op de handhaving van de openbare orde moeten de gemeenten volgens de Ministerraad de mogelijkheid hebben om die ongewenste neveneffecten te vermijden en om op te treden indien er sprake is van fraude of andere wantoestanden. De gemeenten zijn hiervoor het meest aangewezen. De Ministerraad stelt dat er geen sprake is van een schending van artikel 108 van de Grondwet, omdat de bestreden bepaling geen betrekking heeft op een aangelegenheid die door de Grondwet werd voorbehouden aan de wetgever. Het Hof oordeelde in zijn arrest nr. 86/2015 van 11 juni 2015 dat het niet bevoegd is om een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelt, tenzij die bepaling indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, of tenzij de wetgever een categorie van personen het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet, ontzegt.

A.3.4. Volgens de tussenkomende partijen heeft de wetgever de essentiële beleidskeuzes gemaakt, door uitdrukkelijk het kader te bepalen waarbinnen een eventueel gemeentelijk reglement moet blijven.

Ten aanzien van het tweede middel

A.4.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, zoals gewaarborgd bij artikel 7 van het decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791, thans vervangen bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht.

In het eerste onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, doordat zij de gemeenten toelaat vestigingseenheden binnen en buiten de toeristische centra op gelijke wijze te behandelen wat openingsuren betreft, terwijl er een objectief onderscheid is tussen beide, dat wordt aangetoond door het aanvragen van het statuut van toeristisch centrum door de gemeente. Hierdoor wordt het statuut van toeristische zone geneutraliseerd.

In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen hieraan toe dat er ook een ongeoorloofd verschil in behandeling ontstaat tussen vestigingseenheden in verschillende toeristische centra en, binnen eenzelfde toeristische zone, tussen handelszaken zoals die van verzoekende partijen, en horecazaken, die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 10 november 2006 vallen.

A.4.2. De Ministerraad antwoordt dat er van een identieke behandeling geen sprake is. De uitzondering op de openingsuren in de toeristische centra blijft behouden, de bestreden bepaling geeft de gemeenten enkel de mogelijkheid om in die centra sluitingsuren te bepalen voor alle vestigingseenheden die niet vallen onder artikel 16 van de wet van 10 november 2006. Bovendien blijft de uitzondering op de verplichte wekelijkse rustdag in toeristische centra ongewijzigd.

Wat de vermelding in de memorie van antwoord van het onderscheid tussen toeristische centra onderling en ten opzichte van horecazaken betreft, verklaart de Ministerraad dat dit een onontvankelijke wijziging van de draagwijdte van het middel is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT