Arrest nr. 141/2017 van Grondwettelijk Hof, 30 november 2017

Datum uitspraak:30 november 2017
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 25 januari 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtpositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie (art. 2 en 3)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtpositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

    Bij vonnis van 15 september 2016 in zake C.B. en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 februari 2017, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

    Schenden de artikelen 2 en 3 van de wet van 25 januari 2010, al dan niet in samenhang gelezen met artikel XII.VII.21 van het RPPol, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij :

    a. verwijzen naar artikel XII.VII.21 van het RPPol als een van de criteria voor de toepassing van de in die artikelen beoogde benoeming;

    b. door te verwijzen naar artikel XII.VII.21 van het RPPol, alle leden van de voormalige gemeentepolitie die opsporingsfuncties uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan die van de voormalige BOB, uitsluiten van de beoogde benoeming;

    c. de leden van de voormalige gemeentepolitie die opsporingsfuncties uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan die van de voormalige BOB, van het toepassingsgebied ervan uitsluiten ?

    .

    Memories en memories van antwoord zijn ingediend door :

    - C.B. en anderen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Cambier en Mr. A. Paternostre, advocaten bij de balie te Brussel;

    - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. D’Hooghe en Mr. B. Lombaert, advocaten bij de balie te Brussel.

    Bij beschikking van 12 juli 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 september 2017 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Ingevolge het verzoek van de partijen C.B. en anderen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 26 september 2017 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 oktober 2017.

    Op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2017 :

    - zijn verschenen :

    . Mr. A. Paternostre en Mr. S. Rixhon, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. B. Cambier, voor C.B. en anderen;

    . Mr. S. Adriaenssen, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. D. D’Hooghe en Mr. B. Lombaert, voor de Ministerraad;

    - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord;

    - is de zaak in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    Bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt een vordering aanhangig gemaakt die is ingesteld door dertien eisers, gewezen leden van de opsporingsdiensten van de gemeentepolitie of van de lokale brigades, die thans lokale politieambtenaren zijn, verbonden aan de politiezone (hierna « PZ » genoemd) Brussel-Hoofdstad-Elsene, en de graad van inspecteur van politie dragen.

    De eisers willen de Belgische Staat en de PZ Brussel-Hoofdstad-Elsene laten veroordelen tot het vrijmaken van de financiële middelen om het mogelijk te maken hen in de hogere graad te benoemen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 of tot 1 januari 2014, naar gelang van hun anciënniteit. Zij verzoeken de twee verwerende partijen ook om over te gaan tot die benoeming en vorderen ten slotte de veroordeling van de Belgische Staat tot het herstel van hun loopbaan.

    De verwijzende rechter brengt de wetgevende en jurisdictionele voorgeschiedenis in herinnering : de verantwoording van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; de programmawet van 30 december 2001 die het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) heeft bekrachtigd en de gedeeltelijke vernietiging ervan door het Hof bij zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003; de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna : « Vesaliuswet ») en de verwerping, door het Hof, bij zijn arrest nr. 12/2007 van 17 januari 2007, van het tegen de voormelde wet ingestelde beroep tot vernietiging; de wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001 en de vernietiging, door het Hof, van de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet bij zijn arrest nr. 94/2008 van 26 juni 2008; ten slotte, de wet van 25 januari 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie.

    De verwijzende rechter stelt vervolgens vast dat de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 25 januari 2010, letterlijk genomen, niet op de eisers van toepassing kunnen zijn. Enkel in de hypothese waarin artikel XII.VII.21 van het RPPol op hen van toepassing zou zijn, zouden zij de in artikel XII.VII.15quinquies van het RPPol bedoelde benoeming in de graad van hoofdinspecteur kunnen genieten.

    Hoewel het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 102/2003, artikel XII.VII.21 gedeeltelijk heeft vernietigd, heeft het daarentegen, zo is de verwijzende rechter van oordeel, geen enkele aanwijzing gegeven over de wijze waarop de Belgische Staat de ongrondwettigheid zou kunnen wegwerken. Bovendien stelt de verwijzende rechter vast dat de eisers aanklagen dat de voormelde wet van 25 januari 2010 een met name geldelijke uitwerking aan de in artikel XII.VII.21 van het RPPol bedoelde aanstelling heeft verleend, waardoor aldus het discriminerende karakter wordt versterkt van het verschil in behandeling tussen de bij de algemene directie gerechtelijke politie aangestelde ambtenaren en de leden van de opsporings- en recherchediensten van de lokale politie.

    De verwijzende rechter is ingegaan op het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof en stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte

    -A-

    Standpunt van de eisende partijen voor de verwijzende rechter

    A.1. Na het wettelijk en reglementair kader in herinnering te hebben gebracht waarin de prejudiciële vraag past, maken de eisende partijen voor de verwijzende rechter een onderscheid tussen, enerzijds, de functionele voordelen die zijn verbonden aan de in artikel XII.VII.21 van het RPPol bedoelde aanstelling en aan de titel « rechercheur », die door de Vesaliuswet in het leven is geroepen, en, anderzijds, de voordelige benoemingen waarin volgens hen in de voormelde wet van 2 juni 2006 is voorzien.

    Zij brengen in herinnering dat het Hof, bij het voormelde arrest nr. 102/2003, het voormelde artikel XII.VII.21 heeft vernietigd, in zoverre het elk lid van de voormalige gemeentepolitie dat opsporingsfuncties uitoefent die gelijkwaardig zijn aan die van de voormalige BOB, van het toepassingsgebied ervan uitsluit.

    De wet van 3 juli 2005 (Vesaliuswet) heeft artikel XII.VII.21 niet gewijzigd maar heeft daarentegen een nieuwe titel ingevoerd, namelijk de titel « rechercheur » die de door het Hof aangeklaagde ongrondwettigheid op geen enkele manier corrigeert, aangezien hij nu eens betrekking heeft op politieagenten die identiek zijn aan die welke zijn aangesteld, en dan weer op niet-aangestelde politieagenten, die dus nog steeds worden gediscrimineerd.

    Zij gaan vervolgens over tot het onderzoek van de voordelige benoemingen, met andere woorden die welke sedert de wet van 2 juni 2006 (Wet-Vesalius bis) aan bepaalde politieagenten de mogelijkheid bieden om in een hogere graad te worden benoemd met alle voordelen verbonden aan die benoeming, en onderzoeken het arrest nr. 94/2008 van het Hof om vast te stellen dat het de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet heeft vernietigd. Hoewel het Hof erkent dat het door die artikelen veroorzaakte verschil in behandeling berust op een wettige reden die erin bestaat spanningen tussen politiekorpsen op te lossen, stelt het vast dat het voordeel onevenredig is ten opzichte van de leden die zijn aangesteld bij de RPPol maar niet zijn benoemd bij de nieuwe wet.

    Na overweging B.16.1 van het hiervoor vermelde arrest te hebben aangehaald, besluiten zij dat de wet dus met terugwerkende kracht vanaf de aanneming ervan is vernietigd om reden dat de bevordering, in termen van graad en loon, van slechts een aantal aangestelde politieagenten discriminerend is omdat zij onevenredig is.

    Het door de aanstelling bij het RPPol-besluit toegekende voordeel wordt dus opnieuw functioneel en heeft voor niemand financiële gevolgen, en zulks wordt, krachtens de retroactieve en erga omnes gevolgen die aan het vernietigingsarrest zijn verbonden, geacht steeds het geval te zijn geweest.

    Met betrekking tot de situatie na het aannemen van de wet van 25 januari 2010 zijn de eisende...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT