Arrest nr. 135/2017 van Grondwettelijk Hof, 30 november 2017

Datum uitspraak:30 november 2017
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen, ingesteld door André-Marie Hennebert en door Luc Logghe en anderen.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

    1. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 januari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 februari 2016, heeft André-Marie Hennebert beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 9, 12, 21, 28 en 34 van de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 2015, tweede editie).

    2. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 februari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 februari 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3, 9, 10, 12 tot 16, 18 en 21 van dezelfde wet door Luc Logghe, Patricia Moonens, Martine Vanesbeck, Werner Sels, Sussana Dumont, Hendrik Didden, Nasir Aliouat, John Verdonck, Dries Denolf, Dorine Deloof, Dominique Janssens, Amande Flebus, Myriam Vermoesen, Maria Keppens, Michel Dickens, Marc Leemans, Rudy De Leeuw, Mario Coppens, het Algemeen Christelijk Vakverbond, het Algemeen Belgisch Vakverbond en de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Vermeulen, advocaat bij de balie te Turnhout, en Mr. L. Putman, advocaat bij de balie te Mechelen.

    Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6348 en 6365 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

    De Federale Pensioendienst, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Maron, advocaat bij de balie te Brussel, en de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, hebben memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Federale Pensioendienst en de Ministerraad hebben ook memories van wederantwoord ingediend.

    Bij beschikking van 17 mei 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 juni 2017 en de zaken in beraad zullen worden genomen.

    Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 7 juni 2017 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 juni 2017.

    Op de openbare terechtzitting van 21 juni 2017 :

    - zijn verschenen :

    . André-Marie Hennebert, in eigen persoon;

    . Mr. L. Vermeulen en Mr. L. Putman, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6365; . Mr. I. Van den Dorpel, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. E. Maron, voor de Federale Pensioendienst;

    . Mr. V. Pertry, voor de Ministerraad;

    - hebben de rechters-verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht;

    - zijn de voornoemde partijen gehoord;

    - zijn de zaken in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. In rechte

    -A-

    Zaak nr. 6348

    Ten aanzien van de ontvankelijkheid

    A.1.1. De verzoeker in de zaak nr. 6348 verantwoordt zijn belang bij het beroep door het feit dat hij in 1967 is geboren en sinds 1995 overheidsambtenaar is en nog steeds op 31 mei 2014. Hij is van mening dat hij rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden wet.

    A.1.2. Hij vordert de vernietiging van de artikelen 2, 9, 12, 21, 28 en 34 van de wet van 10 augustus 2015 « tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen ».

    A.2. In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat de verzoeker zijn belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen geenszins uiteenzet. Ten eerste zou niet worden aangetoond dat hij werkelijk ambtenaar is. Ten tweede zou de verzoeker geenszins beweren het statuut van een werknemer of van een zelfstandige te hebben. De Ministerraad leidt hieruit af dat het beroep niet ontvankelijk is.

    A.3.1. In zijn memorie van antwoord preciseert de verzoeker dat hij is geboren op 29 oktober 1967 en in 1990 het diploma van burgerlijk ingenieur heeft behaald. Gelet op de duur van zijn studies, namelijk vijf jaar, kon hij zijn loopbaan pas in 1990 aanvatten. Hij preciseert eveneens dat hij eerst als werknemer heeft gewerkt alvorens in 1995 een betrekking van burgerlijk ingenieur bij de NMBS te krijgen, en dat hij in de jaren 2000 tijdelijk een aanvullende activiteit heeft uitgeoefend bestaande in het uitvoeren van expertiseopdrachten op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken. Hij heeft dus een gemengde loopbaan in de drie situaties.

    De verzoeker voert aan dat hij, vóór de wet van 10 augustus 2015, in november 2030, namelijk op de leeftijd van 63 jaar, na een loopbaan van 40 jaar, met vervroegd pensioen had kunnen vertrekken. Door de toepassing van de bestreden wet zal zijn vervroegd pensioen pas kunnen ingaan in november 2032, namelijk op de leeftijd van 65 jaar, na een loopbaan van 42 jaar.

    A.3.2. De verzoeker beweert voorts belang te hebben bij het vorderen van de vernietiging van de wijziging van de wet met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden inzake het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoten, ook al zal zijn echtgenote dat pensioen pas bij zijn overlijden kunnen genieten. A.4.1. De Federale Pensioendienst heeft op grond van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Hij voert aan dat hij, als beheerder van de pensioenen, rechtstreeks belang erbij heeft om tussen te komen in het beroep tegen de wet die het pensioenstelsel regelt. De vernietiging van de artikelen van de bestreden wet kan immers een invloed hebben op de goede werking van de Pensioendienst, die aldus rechtstreeks kan worden benadeeld.

    A.4.2. De verzoeker in de zaak nr. 6348 voert aan dat de vordering tot tussenkomst niet ontvankelijk is daar die niet tijdig is ingediend.

    A.4.3. De tussenkomende partij antwoordt dat, met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, iedere persoon die doet blijken van een belang bij de zaak, in de procedure kan tussenkomen binnen een termijn van 30 dagen na de bekendmaking, in het Belgisch Staatsblad, van het bij artikel 74 van de bijzondere wet voorgeschreven bericht. Te dezen is dat bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2016, zodat de termijn is beginnen te lopen op 26 maart 2016 om te verstrijken op maandag 25 april van hetzelfde jaar. De vordering tot tussenkomst zou dus ontvankelijk zijn ratione temporis.

    Ten gronde

    A.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de bestreden wet de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen verhoogt van 65 jaar tot 67 jaar in de openbare sector, terwijl het intern reglement van de Pensioenkas voor volksvertegenwoordigers de parlementsleden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, die een mandaat hebben tot 31 mei 2014, toestaat om hun rustpensioen te nemen op 55 jaar, los van hun huidige leeftijd.

    A.6.1. In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat het middel niet gegrond is omdat de twee daarin beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De Ministerraad geeft aan dat uit het algemeen beginsel van de autonomie van de Kamer, verankerd in artikel 66 van de Grondwet en in de wet van 30 december 1982 houdende de begroting der Dotatiën voor het begrotingsjaar 1982, voortvloeit dat de pensioenreglementering voor federale parlementsleden onder de exclusieve bevoegdheid van de wetgevende kamers valt, elke kamer ten aanzien van haar eigen leden. De situatie van de ambtenaren van de openbare sector op het vlak van pensioenen wordt echter geregeld door een afzonderlijke wetgevende macht, te dezen de gewone wetgevende macht, terwijl de op federale parlementsleden toepasselijke pensioenreglementering wordt geregeld door de wetgevende kamer als autonoom orgaan.

    A.6.2. Volgens de Ministerraad zou uit verschillende arresten van het Hof voortvloeien dat categorieën van personen op wie reglementeringen van toepassing zijn die van onderscheiden wetgevers uitgaan, niet vergelijkbaar zijn. Op analoge wijze leidt de Ministerraad hieruit af dat de autonomie van de Kamer en van de Pensioenkas voor volksvertegenwoordigers volkomen in het gedrang zou komen indien die laatste ertoe gehouden zou zijn een pensioenreglementering aan te nemen die identiek is aan de reglementering die van toepassing is op het gemeenrechtelijke pensioenstelsel.

    A.6.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het middel niet gegrond is. Hij merkt op dat het doel dat de gewone wetgever nastreeft in het kader van de bij de wet van 10 augustus 2015 ingevoerde pensioenhervorming erin bestond de gewone pensioenstelsels te hervormen, namelijk het stelsel van de werknemers, het stelsel van de zelfstandigen en dat van de openbare sector. Het zou dus niet onredelijk zijn dat de wetgever, met naleving van het algemeen beginsel van de autonomie van de Kamer en van haar exclusieve bevoegdheid om de aangelegenheid van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT