Arrest nr. 103/2017 van Grondwettelijk Hof, 1 september 2017

Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
Datum uitspraak: 1 september 2017
SAMENVATTING

Decreet van de Franse Gemeenschap van 29 maart 2017 betreffende de studie geneeskunde en de studie tandheelkunde (art. 1 tot 10 en 13 tot 18)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 1 tot 10 en 13 tot 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 maart 2017 betreffende de studie geneeskunde en de studie tandheelkunde, ingesteld door Sarah Oudaha en anderen.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

    Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 juli 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 juli 2017, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 1 tot 10 en 13 tot 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 maart 2017 betreffende de studie geneeskunde en de studie tandheelkunde (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 april 2017) door Sarah Oudaha, Claire Maton, Frederico Caruso en Mathilde Cenne, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Misson en Mr. A. Kettels, advocaten bij de balie te Luik.

    Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen.

    Bij beschikking van 19 juli 2017 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 29 augustus 2017, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 16 augustus 2017 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden.

    Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door :

    - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel;

    - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel.

    De « Université de Liège », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Henry, Mr. J. Merodio en Mr. F. Natalis, advocaten bij de balie te Luik, heeft een memorie van tussenkomst ingediend.

    Op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2017 :

    - zijn verschenen :

    . Mr. A. Kettels, tevens loco Mr. L. Misson, voor de verzoekende partijen;

    . Mr. P. Levert en Mr. K. Ermilate, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering;

    . Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad;

    . Mr. J. Merodio en Mr. F. Natalis, voor de « Université de Liège »;

    - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht;

    - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

    De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. In rechte

    -A-

    A.1.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing en de vernietiging van de artikelen 1 tot 10 en 13 tot 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 maart 2017 betreffende de studie geneeskunde en de studie tandheelkunde.

    Zij verantwoorden hun belang om in rechte op te treden door het feit dat zij ertoe worden of kunnen worden verplicht houder te zijn van een attest van slagen voor het ingangsexamen.

    De eerste drie verzoekende partijen zijn ingeschreven voor Blok 1 van de Bachelor in de geneeskunde of in de tandheelkunde voor het academiejaar 2016-2017 en hebben op het einde van de zittijd in januari 2017 een verminderingsovereenkomst moeten ondertekenen. Zij hebben alle studiepunten van hun vermindering behaald. De vierde verzoekende partij is sinds het academiejaar 2015-2016 ingeschreven voor Blok 1 van de Bachelor in de geneeskunde en heeft op het einde van de zittijd in januari 2016 een verminderingsovereenkomst moeten ondertekenen. Zij heeft de zestig studiepunten van Blok 1 van de Bachelor in de geneeskunde behaald.

    De verzoekende partijen zijn van mening dat de vereisten om houder te zijn van een attest voor toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus van Bachelor in de geneeskunde of tandheelkunde of van een attest van slagen voor het ingangsexamen hun recht om de hogere studies van hun keuze voort te zetten, beperken en bijgevolg afbreuk doen aan dat recht.

    A.1.2. In verband met het belang om in rechte te treden, verzoekt de Franse Gemeenschapsregering allereerst de tweede verzoekende partij haar persoonlijke situatie toe te lichten, aangezien zij zou zijn ingeschreven voor Blok 1 van de Bachelor in de tandheelkunde voor het academiejaar 2016-2017 aan de « université de Mons », terwijl die universiteit geen bachelor in de tandheelkunde aanbiedt.

    De Franse Gemeenschapsregering is overigens van mening dat de drie verzoekende partijen die een verminderingsovereenkomst hebben gesloten, geen belang erbij hebben de vernietiging van artikel 13 van het bestreden decreet te vorderen. Zonder dat artikel zouden zij immers, om zich opnieuw in te schrijven, het ingangs- en toelatingsexamen moeten afleggen zonder de studiepunten te kunnen valoriseren die zij tot nu hebben verworven, hetgeen zeker een minder gunstige situatie is dan die welke uit artikel 13 voortvloeit. Zij hebben evenmin belang erbij om in rechte te treden tegen artikel 14, dat enkel ertoe strekt de nadere regels van dat artikel 13 te bepalen, noch tegen artikel 11 van het decreet, daar zij het vergelijkend examen van juni 2017 niet konden afleggen.

    Volgens de Franse Gemeenschapsregering heeft de vierde verzoekende partij evenmin belang erbij artikel 11 van het decreet te bestrijden. Door dat artikel te bekritiseren, tracht zij een juridische situatie te verkrijgen die vergelijkbaar is met die van de studenten die de beslissing van de Franse Gemeenschapsregering van 21 september 2016, waarbij hen wordt toegestaan de eerste cyclus in de geneeskunde en de tandheelkunde voort te zetten, hebben genoten. Een dergelijke beslissing was contra legem, zoals de Raad van State dat heeft aangeklaagd in zijn arrest nr. 237.971 van 20 april 2017. Bij ontstentenis van een arrest van de Raad van State tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 30 augustus 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2008 betreffende de planning van het medisch aanbod en van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 17 juli 2015 « tot bepaling van het globale aantal attesten voor toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus die uitgereikt zullen worden gedurende het academiejaar 2015-2016 », blijven die besluiten in de rechtsordening bestaan. Het Grondwettelijk Hof kan niet bij wege van exceptie kennisnemen van de wettigheid ervan. Hieruit vloeit voort dat, zelfs in geval van vernietiging en schorsing van artikel 11 van het bestreden decreet, de vierde verzoekende partij zich opnieuw in de situatie zou bevinden waarin zij, doordat zij niet beschikt over een toelatingsattest, behoudens schending van artikel 110/2 van het decreet van 7 november 2013, geen aanspraak zou kunnen maken op de voortzetting van haar studies op basis van de reeds verworven studiepunten. Om haar studies voort te zetten, moet die verzoekende partij het ingangs- en toelatingsexamen afleggen waarbij zij het voordeel van artikel 13 geniet.

    De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het de artikelen 11, 13 en 14 van het bestreden decreet beoogt.

    A.2.1. De verzoekende partijen verantwoorden het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door het feit dat de vereiste om houder te zijn van een attest van slagen voor het ingangsexamen dat hun bij de bestreden bepalingen wordt opgelegd, hen concreet belet hun studies geneeskunde of tandheelkunde voort te zetten. Het academiejaar zal in september 2017 aanvangen en het ingangsexamen zal plaatshebben op 8 september 2017. Indien de bestreden decretale bepalingen niet worden geschorst, lopen zij het risico dat zij zich niet voor het vervolg van hun studies zullen kunnen inschrijven en hierdoor een academiejaar en dus een jaar van beroepsactiviteit zullen verliezen. De Raad van State is, volgens vaste rechtspraak, van oordeel dat het verlies van een studiejaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt dat het instellen van de procedure in kort geding verantwoordt.

    A.2.2. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat de redenering van de verzoekende partijen ervan uitgaat dat, indien het Hof de schorsing van de bestreden bepalingen zou bevelen, zij het ingangs- en toelatingsexamen niet zullen moeten afleggen. De verzoekende partijen geven evenwel geen nadere uitleg bij de gevolgen van een dergelijke schorsing voor de voortzetting van hun studies. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit evenwel voort dat de vordering tot schorsing alle elementen moet bevatten die worden aangevoerd teneinde het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen en dat het Hof alleen met die elementen rekening vermag te houden.

    In hoofdorde besluit de Franse Gemeenschapsregering dat de elementen die de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun nadeel aanvoeren, niet volstaan om aan te nemen dat is voldaan aan de voorwaarde van het risico van een ernstig nadeel of op zijn minst dat de graad van ernst toereikend is.

    In ondergeschikte orde, ten aanzien van de vierde verzoekende partij, is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat een terugkeer naar een juridische situatie die vergelijkbaar is met die van de studenten die een toelating om in te schrijven in september 2016 hebben genoten, niet denkbaar is. Hieruit vloeit voort dat, zelfs indien de bestreden bepalingen worden geschorst, die partij zich opnieuw zou bevinden in de situatie waarin zij, doordat zij niet beschikt over een attest voor toelating tot het vervolg van het programma van de eerste cyclus, haar studies niet kan voortzetten. De vier verzoekende partijen zouden overigens allen onderworpen...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT