Arrest nr. 99/2017 van Grondwettelijk Hof, 19 juli 2017

Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
Datum uitspraak:19 juli 2017
SAMENVATTING

Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing (art. 2bis)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vragen over artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

    Bij arrest van 12 november 2015 in zake de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB) tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juli 2016, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

    1. Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet, in zoverre die bepaling, teneinde het recht op een behoorlijke huisvesting te verzekeren maar in tegenspraak met dat doel, de GOMB, die een wettelijke opdracht inzake stadsvernieuwing en de bouw van nieuwe woningen uitvoert, verhindert de vrijstelling of de kwijtschelding te genieten van de onroerende voorheffing in verband met improductieve onroerende goederen die moeten worden afgebroken met het oog op het bouwen van onroerende goederen die bestemd zijn voor de uitvoering van die opdracht ?

    2. Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het belastingplichtigen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze behandelt, namelijk, enerzijds, de publiekrechtelijke rechtspersonen wier investeringen in onroerend goed worden bepaald door hun bij besluit vastgesteld maatschappelijk doel en passen in een perspectief van stadsvernieuwing en rehabilitatie van het wonen, en, anderzijds, de personen die geen dergelijke openbare opdracht hebben ?

    .

    Memories en memories van antwoord zijn ingediend door :

    - de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Goossens, advocaat bij de balie te Brussel;

    - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. C. Molitor, advocaten bij de balie te Brussel.

    Bij beschikking van 17 mei 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 juni 2017 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 juni 2017 in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    Bij het Hof van Beroep te Brussel wordt een geschil aanhangig gemaakt met betrekking tot de voor het jaar 1997 ingekohierde onroerende voorheffing op een goed dat op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is gelegen en toebehoort aan de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna : GOMB). Die voert aan dat zij niet aan de onroerende voorheffing zou moeten worden onderworpen krachtens artikel 15, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat voorziet in een proportionele vermindering van het kadastraal inkomen in verhouding tot de duur en de omvang van de leegstand, inactiviteit of improductiviteit van het goed. Het door de GOMB ingediende bezwaarschrift wordt verworpen bij een beslissing van de gewestelijke directeur der belastingen die is gebaseerd op artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing. Voor het Hof van Beroep brengt de GOMB de bestaanbaarheid van die bepaling met de Grondwet in het geding, in zoverre daarin voorwaarden voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing worden vastgesteld waaraan zij onmogelijk kan voldoen. Op verzoek van die partij stelt het Hof van Beroep te Brussel de twee voormelde prejudiciële vragen.

  2. In rechte

    -A-

    A.1.1. De GOMB zet uiteen dat de voor het verwijzende rechtscollege hangende vordering past in het kader van een geheel van geschillen waarin zij inzake onroerende voorheffing tegenover de Belgische Staat staat. Aan de oorsprong van die geschillen ligt haar standpunt volgens hetwelk zij van mening is dat zij, wanneer zij vervallen panden verwerft die zij bestemt voor afbraak teneinde hoofdzakelijk nieuwe woningen te bouwen, de vrijstelling van de onroerende voorheffing om reden van improductiviteit moet kunnen genieten.

    A.1.2. Zij legt uit dat, wanneer zij vervallen panden verwerft teneinde ze af te breken en woningen herop te bouwen, hetgeen haar wettelijke opdracht is, de panden worden ontruimd gedurende de tijd die nodig is voor de voorbereiding van het project en het verkrijgen van de vergunningen, zodat zij gedurende die periode improductief zijn en dus beantwoorden aan de eerste voorwaarde die is vastgesteld bij artikel 2bis van de ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995. Aangezien de nieuwe panden aan de bewoonbaarheidsnormen...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT