Décision judiciaire de Raad van State, 26 janvier 2016

Date de Résolution26 janvier 2016
JuridictionNietigverklaring
Nature Algemene vergadering

Nederlandse tekst (titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973)

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING

A R R E S T

nr. 233.609 van 26 januari 2016 A. 212.125/G-130

In zake: de ORDRE DES BARREAUX FRANCOPHONES

ET GERMANOPHONE DE BELGIQUE met als raadsman mr. Vincent Thiry, advocaat, kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint-Martin 74 alwaar keuze van woonplaats is gedaan

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken met als raadsman mr. Stijn Butenaerts, advocaat, kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 alwaar keuze van woonplaats is gedaan

en door de minister van Financiën wiens kantoor gevestigd is te 1000 Brussel Wetstraat 12

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 4 april 2014, strekt tot nietigverklaring van “de artikelen 1 tot 8 van het koninklijk besluit van 30 januari 2014 tot wijziging van de reglementering betreffende de inning van de kosten voor de Raad van State”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 februari 2014.

II. Verloop van de rechtspleging

G-130-1/30

2. De verwerende partij, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, heeft een memorie van antwoord ingediend en een administratief dossier neergelegd en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De verwerende partij, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, heeft een memorie van antwoord ingediend, waarin verwezen wordt naar het verweer van de minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Denis Delvax, auditeur, heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De verwerende partij heeft om de voortzetting van de procedure verzocht.

Bij een beschikking van 24 april 2015 heeft de voorzitter van de Raad van State de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015.

Mevrouw Colette Debroux, staatsraad, heeft verslag uitgebracht.

Mr. Vincent Thiry, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, mr.Valery Schalenbourg, loco mr. Stijn Butenaerts, advocaat, die voor de verwerende partij, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, verschijnt, en de heer Fabrice Grobelny, attaché, die voor de verwerende partij, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, verschijnt, zijn gehoord.

De heer Denis Delvax, auditeur, heeft een gedeeltelijk eensluidend advies uitgebracht.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten en wetgevend en reglementair kader

G-130-2/30

3. Vóór de wijziging van de wetten op de Raad van State bij de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, verleende artikel 30, § 1, tweede lid, van die wetten de Koning de machtiging om onder meer “het tarief der kosten en uitgaven, alsmede de rechten van zegel en registratie” te bepalen.

Artikel 70 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde dat verzoekschriften die een beroep tot nietigverklaring inleiden en verzoekschriften tot schorsing, tot schadevergoeding, tot herziening, tot verzet of derdenverzet, “aanleiding geven tot de betaling van een recht van 175 EUR” en dat verzoekschriften tot tussenkomst “aanleiding geven tot de betaling van een recht van 125 EUR”, en artikel 71 van dat besluit preciseerde dat dat recht moest worden betaald “door middel van plakzegels, van het type voorzien zoals bij de heffing van zegelrechten”.

Krachtens artikel 68, tweede lid, van hetzelfde besluit, werden de door publiekrechtelijke rechtspersonen verschuldigde rechten in debet begroot door de griffier.

  1. Artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State luidde na de wijziging bij de voornoemde wet van 15 september 2006, die wat dit artikel betreft in werking getreden is op 1 december 2006, als volgt: “het [in Ministerraad overlegd] koninklijk besluit bepaalt het tarief der kosten en uitgaven; het voorziet in het verlenen van het voordeel van het pro deo aan de onvermogenden; het bepaalt de modaliteiten om de kosten en uitgaven te voldoen [….]”.

    In de paragrafen 5 tot 7 werd bepaald dat de verzoekschriften tot schadevergoeding, de verzoekschriften tot nietigverklaring, de vorderingen tot schorsing en de verzoekschriften tot verzet, tot derdenverzet en tot herziening aanleiding zouden geven tot de betaling van een recht van 175 euro, dat de verzoekschriften tot tussenkomst aanleiding zouden geven tot de betaling van een recht van 125 euro en dat collectieve verzoekschriften aanleiding zouden geven tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekers zijn. Paragraaf 9, ten slotte, machtigde de Koning ertoe te bepalen op welke wijze die rechten moesten worden geïnd.

  2. Bij het koninklijk besluit van 21 december 2006 tot omvorming van de algemene verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen tot het uitvoeringsbesluit van het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het regentbesluit tot uitvoering van het Wetboek der zegelrechten en houdende

    G-130-3/30

    verscheidene andere wijzigingen aan uitvoeringsbesluiten is in de algemene procedureregeling een artikel 71 ingevoegd luidens hetwelk de rechten moesten worden betaald “hetzij, via elektronische betaalmiddelen op het ogenblik van neerlegging van het origineel verzoekschrift of de originele vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bepaald in artikel 70, § 2, tweede lid, hetzij, via voorafgaandelijke storting of overschrijving op de rekening van het zesde registratiekantoor van Brussel”, waarbij aangegeven was dat een gedagtekend betalingsbewijs bij het verzoekschrift of bij de vordering moest worden gevoegd.

    Met betrekking tot de door publiekrechtelijke rechtspersonen verschuldigde kosten, werd in het voornoemde artikel 68 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 niets gewijzigd.

  3. Bij het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is artikel 68, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 gewijzigd, maar het principe dat de kosten die publiekrechtelijke rechtspersonen verschuldigd zijn, in debet worden begroot, werd gehandhaafd.

  4. Bij het koninklijk besluit van 19 juli 2007 tot wijziging van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wat betreft de kwijting der rechten, werd het principe volgens hetwelk de rechten in debet worden begroot voor alle verzoekende partijen ingevoerd en werd het hierboven vermelde artikel 71 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, zoals het bij het koninklijk besluit van 21 december 2006 was gewijzigd, opgeheven.

  5. Artikel 30, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is bij artikel 10, 2°, van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State vervangen. Die bepaling luidt als volgt:

    “Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid bepaalt onder meer de verjaringstermijnen voor de indiening van de aanvragen en beroepen bedoeld in de artikelen 11 en 14, waarbij deze termijnen ten minste zestig dagen moeten bedragen; het bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van de tussenkomsten, verzetten en derden-verzetten, alsook van de beroepen tot herziening; het bepaalt een bedrag boven hetwelk er geen enkele dwangsom kan worden verbeurd; het bepaalt de toewijzing van de middelen die toegekend worden aan het begrotingsfonds bedoeld in artikel 36, § 5; het bepaalt het tarief van de kosten, uitgaven en rechten, waarbij deze rechten een bedrag van 225 euro niet mogen overschrijden; het voorziet in het verlenen van het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand aan de onvermogenden; het bepaalt de nadere regels

    G-130-4/30

    om de kosten, uitgaven en rechten te voldoen; het bepaalt de gevallen waarin de partijen of hun advocaten gezamenlijk kunnen besluiten dat de zaak niet in openbare terechtzitting moet worden behandeld.”

    Bij artikel 10, 7°, van diezelfde wet, dat in werking getreden is op 1 maart 2014, zijn de paragraaf 5, leden 1, 2, 3 en 5 en de paragrafen 6 tot 9 van artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgeheven.

    Bij het Grondwettelijk Hof is een beroep ingesteld tot nietigverklaring van artikel 10, 2° en 7°, van de wet van 20 januari 2014, dat daar onder het rolnummer 5965 is ingeschreven. Tijdens het beraad heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 103/2015 van 16 juli 2015 het beroep inzake die bepaling afgewezen.

  6. Het koninklijk besluit van 30 januari 2014 tot wijziging van de reglementering betreffende de inning van de kosten voor de Raad van State, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 februari 2014, waarvan de artikelen 1 tot 8 de verordeningsbepalingen zijn die bij dit beroep bestreden worden, luidt als volgt:

    “HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Artikel 1. In artikel 66 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1956 en 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1. in...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI
7 temas prácticos
5 sentencias
  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 4 septembre 2020
    • Belgique
    • 4 septembre 2020
    ...donnant une portée nouvelle et agirait en opportunité à la place de l’administration active, ce qui n’est pas de sa compétence . Dans un arrêt n° 233.609 prononcé le 26 janvier 2016 en assemblée générale, le Conseil d’État a indiqué que “ Lorsque les dispositions d’un règlement forment un t......
  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 27 novembre 2018
    • Belgique
    • 27 novembre 2018
    ...à un recours effectif, du droit à un procès équitable et du principe de proportionnalité". Elle rappelle les motifs de l'arrêt nº 233.609 du 26 janvier 2016 annulant l'article 71, tel que modifié par l'arrêté royal du 30 janvier 2014, instaurant un délai de 8 jours pour la perception d......
  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 27 octobre 2016
    • Belgique
    • 27 octobre 2016
    ...puisse être tranchée, il y avait lieu de renvoyer la cause à la procédure ordinaire; que, par l'arrêt d'assemblée générale n° 233.609 du 26 janvier 2016, le Conseil d'État a annulé le délai précité de huit jours de sorte qu'actuellement, aucun élément n'est plus susceptible d'affecter négat......
  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 19 septembre 2019
    • Belgique
    • 19 septembre 2019
    ...de paiement dans ce délai. Si l'assemblée générale de la section du contentieux administratif du Conseil d'État a, par son arrêt n° 233.609 du 26 janvier 2016, annulé partiellement l'arrêté royal du 30 janvier 2014 modifiant la réglementation relative à la perception des dépens devant le Co......
  • Sollicitez un essai pour afficher des résultats supplémentaires
1 diposiciones normativas

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT