Vonnis van Raad van State, 24 april 2014

Datum uitspraak:24 april 2014
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Het uitvoeren van een studie in de loop van de aanvraagprocedure omtrent een bepaald hinderaspect waarover opmerkingen of bezwaren zijn gerezen, is op zich niet onwettig. Het impliceert geen schending van het openbaar onderzoek, voor zover dit beperkt blijft tot het staven van de aanvraag of het verschaffen van bijkomende inlichtingen aan de overheid en geen substantiële wijziging van de aanvraag ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

A R R E S T

nr. 227.165 van 24 april 2014 in de zaak A. 199.075/VII-37.992.

In zake : 1. Anna LEURS 2. Guido NIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3600 Genk Stoffelsbergstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij : de NV LIMBURG WIN(D)T bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 februari 2011, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 6 december 2010 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 16 juni 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Limburg Win(d)t voor de exploitatie

    VII-37.992-1/38

    van een windpark bestaande uit de drie meest zuidelijke windturbines en het weigeren ervan voor de drie noordelijke windturbines, gelegen langsheen de Zuid-Willemsvaart te Maaseik, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing, mits enkele wijzigingen, wordt bevestigd.

    II. Verloop van de rechtspleging

  2. Bij arrest nr. 213.773 van 9 juni 2011 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.

    De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

    De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

    De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 juli 2011. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

    Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.

    De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2013.

    Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht.

    VII-37.992-2/38

    Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Tine Strubbe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gregory Verhelst, die loco advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

    Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    III. Feiten

    3.1. Op 15 december 2009 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw windmolenpark, bestaande uit zes windturbines met bijhorende transformatoren en middenspanningscabines, op percelen gelegen langsheen de Zuid-Willemsvaart te Maaseik. Deze percelen bevinden zich volgens het gewestplan "Limburgs Maasland" in agrarisch gebied. Zij zijn tevens gelegen in waterwinningsgebied.

    3.2. De tussenkomende partij dient ook een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het betrokken windpark. Op 18 mei 2010 weigert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de vergunning voor de oprichting van de drie meest noordelijk gelegen windturbines (WT: M-01, WT: M-02 en WT: M-03), omwille van hun ligging in de open ruimte verbinding tussen Opitter en Waterloos in de vlakte van Bocholt, nabij het kleinstedelijk gebied Bree. Hij verleent een vergunning onder voorwaarden voor de bouw van de drie zuidelijk gelegen windturbines (WT: M-04, WT: M-05 en WT: M-06). Tegen deze beslissing werd onder meer door de verzoekende partijen beroep ingediend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

    VII-37.992-3/38

    3.3. Tijdens het openbaar onderzoek in het kader van de milieuvergunningsaanvraag, afgesloten op 10 februari 2010, worden verscheidene bezwaarschriften ingediend.

    3.4. De tussenkomende partij overhandigt op de hoorzitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 8 maart 2010 een akoestische studie, opgemaakt op 5 maart 2010.

    3.5. Op last van de tussenkomende partij wordt op 11 juni 2010 een rapport opgesteld van een akoestisch onderzoek betreffende de inplanting van drie windturbines langsheen de Zuid-Willemsvaart te Maaseik.

    3.6. Op 16 juni 2010 verleent de deputatie van de provincie Limburg, onder voorwaarden, de vergunning voor het exploiteren van een nieuw windpark bestaande uit de drie meest zuidelijke windturbines. De milieuvergunning wordt geweigerd wat de exploitatie betreft van de drie noordelijke windturbines, wegens hun ligging in de open ruimte verbinding tussen Opitter en Waterloos in de vlakte van Bocholt, nabij het kleinstedelijk gebied Bree. De opgelegde vergunningsvoorwaarden hebben onder meer betrekking op normen inzake slagschaduw en geluid, dit is het opstellen van een nota en het uitvoeren van een geluidsmeting binnen één jaar na de ingebruikname van de windturbines.

    3.7. Tegen deze beslissing wordt door verscheidene buurtbewoners administratief beroep ingediend. Enkele onder hen, alsook de tussenkomende partij vragen om gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie.

    3.8. Op 30 augustus 2010 wordt in opdracht van de tussenkomende partij een bijkomende studie opgesteld met betrekking tot de slagschaduweffecten van de drie niet-geweigerde windturbines.

    VII-37.992-4/38

    3.9. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht : a) het Vlaams Energieagentschap acht zich niet bevoegd om advies te geven; b) het Directoraat-generaal Luchtvaart heeft geen bezwaar, voor zover de maximale tiphoogte van 150 meter niet wordt overschreden; c) de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid adviseert gunstig voor de turbines 4, 5 en 6 en ongunstig voor de turbines 1, 2 en 3; d) de afdeling Milieuvergunningen verleent een gunstig advies, mits naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden. Zij stelt voor de beroepen deels gegrond te verklaren, en de bijzondere vergunningsvoorwaarden inzake slagschaduw aan te passen en bijzondere voorwaarden toe te voegen op het vlak van veiligheid; e) de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, mits naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden. Zij stelt voor de beroepen deels gegrond te verklaren, en de bijzondere vergunningsvoorwaarden inzake slagschaduw aan te passen en bijzondere voorwaarden toe te voegen op het vlak van veiligheid.

    3.10. Op 14 september 2010 wordt de tussenkomende partij gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De beroepsindieners worden niet gehoord "om reden van materiële aard", zo blijkt uit een brief van 19 augustus 2010.

    3.11. Op 6 december 2010 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur de beroepen gedeeltelijk gegrond en wijzigt zij de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg op het vlak van de bijzondere vergunningsvoorwaarden inzake slagschaduw en veiligheid. Voor het overige bevestigt zij de beslissing van de deputatie van 16 juni 2010 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning voor het exploiteren van een windpark.

    VII-37.992-5/38

    3.12. Dit is het bestreden besluit, dat luidt als volgt :

    "(…)

    Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied met een overdruk waterwinningsgebied volgens het gewestplan 'Limburgs Maasland', vastgesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1980;

    Overwegende dat er op 18 mei 2010 een stedenbouwkundige vergunning verleend werd voor de windturbines;

    Overwegende dat bij de aanvraag een omstandige lokalisatienota werd gevoegd; dat hierin de mogelijke effecten van de inplanting van de windturbines ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating (mogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten worden beschreven en geëvalueerd; dat uit de nota blijkt dat de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt door de oprichting van turbines 4, 5 en 6 die slechts een kleine oppervlakte innemen en de verdere exploitatie van het gebied voor landbouwdoeleinden niet hypothekeren;

    Overwegende dat de aanvraag in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften;

    Overwegende dat waterwinningsgebieden gebieden zijn waar ten aanzien van de uitvoering van handelingen en werken beperkingen kunnen worden opgelegd met het doel de waterwinning te beschermen (drinkwater, industriewater, bronwater); dat de oprichting van windturbines de werking van het waterwinningsgebied niet in het gedrang brengt;

    Overwegende dat de inrichting is gelegen op een afstand van :

    - ongeveer 350 meter van een woongebied; - ongeveer 500 meter van een woonuitbreidingsgebied; - ongeveer 340 meter van een woongebied met landelijk karakter; - ongeveer 925 meter van een natuurgebied; - ongeveer 1370 meter van vogelrichtlijngebied 'Hamonterheide,

    Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof' (V21); - ongeveer 2270 meter van habitatrichtlijngebied 'Itterbeek met Brand,

    Jagersborg en Schootsheide en Bergerven' (H27);

    Overwegende dat de beroepen, ingediend door omwonenden, betrekking hebben op het verlenen van de vergunning voor 3 windturbines van maximaal 2.300 kW en met een maximale tiphoogte van 150 meter;

    Overwegende dat er in de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT