Vonnis van Raad van State, 27 februari 2014

Datum uitspraak:27 februari 2014
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Uit de beslissing tot de weigering van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag van de verzoeker.p. kan worden afgeleid dat zij de modaliteiten van het door haar voorgenomen project mogelijkerwijze zal moeten afstemmen op de met het bestreden besluit vergunde windturbines. Ook al beschikt de verzoeker.p. op heden nog niet over alle vereiste vergunningen om zelf windturbines te bouwen en te... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

A R R E S T

nr. 226.569 van 27 februari 2014 in de zaak A. 203.529/VII-38.402.

In zake : de NV C. GEN ZEEBRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Martens en tevens door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij : de NV EVELOP BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Liesbet Linthout kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 februari 2012, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 2 december 2011 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 7 april 2011, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Evelop Belgium voor het exploiteren

    VII-38.402-1/25

    van twee windturbines en bijhorende transformatoren, gelegen aan de Achterhaven te Zeebrugge, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt gewijzigd en de gevraagde vergunning, mits wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden, wordt verleend.

    II. Verloop van de rechtspleging

  2. Bij arrest nr. 219.570 van 31 mei 2012 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

    De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

    De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

    De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 juni 2012. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

    Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

    De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2013.

    Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

    VII-38.402-2/25

    Advocaat Ive Van Giel, die loco advocaten Bob Martens en Els Empereur verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Liesbet Linthout, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

    Auditeur Dieter Decock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    III. Feiten

    3.1. De verzoekende partij wenst over te gaan tot de oprichting en exploitatie van twee windturbines aan de Barlenhuisstraat 2 te Brugge. Met het oog hierop dient zij op 8 juli 2010 respectievelijk op 14 juli 2010 een stedenbouwkundige en een milieuvergunningsaanvraag in. Op 5 november 2010 verkrijgt zij de gevraagde milieuvergunning. De overeenkomstige stedenbouwkundige vergunning wordt haar evenwel geweigerd bij besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 12 januari 2011. De verzoekende partij dient tegen deze weigeringsbeslissing een verzoekschrift tot vernietiging in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

    3.2. De tussenkomende partij wenst in de nabije omgeving van het voorgenomen project van de verzoekende partij, meer bepaald aan de Achterhaven van Zeebrugge, eveneens een windturbinepark uit te baten. In dit verband dient ook zij op 4 oktober 2010 een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van twee windturbines.

    3.3. Op 7 april 2011 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde vergunning.

    VII-38.402-3/25

    3.4. De verzoekende partij stelt tegen deze vergunningsbeslissing administratief beroep in bij de Vlaamse regering.

    3.5. Nadat in het kader van de administratieve beroepsprocedure de vereiste adviezen zijn uitgebracht, verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur op 2 december 2011 het beroep gedeeltelijk gegrond en wijzigt zij de beroepen beslissing. De gevraagde vergunning wordt, mits wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden, verleend.

    Dit is het bestreden besluit.

    IV. Ontvankelijkheid van het beroep

    Excepties

    4. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partij. Zo stelt zij vragen bij het vereiste zeker karakter ervan. Aangezien aan de verzoekende partij de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd, is de reeds verleende milieuvergunning volgens haar vervallen, beschikt zij over geen enkele vergunning en is haar belang louter hypothetisch. Voorts zou de verzoekende partij haar belang niet voldoende aannemelijk maken, nu zij geen onmiddellijke nabuur is van de geplande exploitatie, zij als rechtspersoon geen nadelen kan ondervinden van de beweerde veiligheidsrisico's, geluidshinder en slagschaduw en zij haar project ook los van de aan de tussenkomende partij verleende vergunning kan verwezenlijken. De tussenkomende partij vervolgt dat de beweerde discriminatoire behandeling louter slaat op de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en deze bovendien de grond van de zaak betreft. Zij besluit dat het aangevoerde, louter commercieel belang niet kan worden aanvaard, nu de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de rendabiliteit en de economische leefbaarheid van een inrichting buiten het beoordelingskader valt van de overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunningsaanvraag.

    VII-38.402-4/25

    5. De verzoekende partij repliceert dat uit de weigering van de door haar gevraagde stedenbouwkundige vergunning blijkt dat de beide projecten wel degelijk aan elkaar dienen te worden gekoppeld. Haar eigen windturbineproject is verre van hypothetisch : het tegendeel blijkt immers uit de milieuvergunning van 5 november 2010 en de vergunningsaanvragen. Zij betwist dat deze milieuvergunning zou zijn vervallen, nu tegen de weigering van de stedenbouwkundige vergunning een annulatieberoep hangend is voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De verzoekende partij refereert in dit verband aan het recht op toegang tot de rechter.

    Beoordeling

    6. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kunnen de annulatieberoepen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging.

    Om belang te hebben bij het bestrijden van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning moet de verzoekende partij derhalve aantonen of minstens aannemelijk maken dat zij nadeel kan ondervinden door de vergunde exploitatie. Dat nadeel mag commercieel van aard zijn op voorwaarde dat het rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning.

    Aangezien in de beslissing tot de weigering van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag van de verzoekende partij gewag wordt gemaakt van een masterplan waarbij in het desbetreffende gebied een potentieel van 27 windturbines wordt vooropgesteld en tegelijk dat "de eerste aanvraag (…) richtinggevend (zal) zijn qua opstelling en vorm voor de verdere uitbouw van het windpark", kan uit die weigeringsbeslissing worden afgeleid dat de verzoekende

    VII-38.402-5/25

    partij de modaliteiten van het door haar voorgenomen project mogelijkerwijze zal dienen af te stemmen op de met het bestreden besluit vergunde windturbines. Ook al beschikt de verzoekende partij op heden nog niet over alle vereiste vergunningen om zelf windturbines te bouwen en te exploiteren in het desbetreffende gebied, kan geredelijk worden aangenomen dat de met het bestreden besluit verleende milieuvergunning voor de exploitatie van een concurrentieel project haar nadeel kan toebrengen.

    De excepties worden verworpen.

    V. Onderzoek van de middelen

    1. Eerste middel

    Standpunt van de partijen

    7. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 9 en 11, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 17 tot 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel.

    Het middel komt er in essentie op neer dat de verwerende partij haar beoordeling van de aspecten "geluidshinder" en "veiligheid" zou hebben gebaseerd op aanvullende studies die pas na de sluiting van het openbaar onderzoek werden neergelegd. De verzoekende partij ziet hierin een miskenning van de bevoegdheidsverdelende regels daar het de deputatie is die zich in eerste aanleg dient uit te spreken over vergunningsaanvragen, temeer nu met de voornoemde stukken essentiële wijzigingen zijn aangebracht aan het aanvraagdossier.

    VII-38.402-6/25

    8. De verwerende partij antwoordt dat de milieuvergunningsaanvraag alle essentiële stukken en elementen bevatte om tot de beoordeling ervan te komen. Zo werden de geluidscontouren reeds in de aanvraag berekend en de aanvullende mededeling van de aannames voor de berekening dient hierbij louter als verificatiemiddel. Wat de veiligheid betreft, wordt er in de aanvullende studie aangenomen dat een scheidingsafstand tussen de windturbines en de gasflessen op het naburige terrein niet noodzakelijk is, terwijl in de bijzondere vergunningsvoorwaarden wel in een veiligheidszone van 180 meter...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT