30 MAART 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen

 
GRATIS UITTREKSEL

VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING

Dames en heren,

Dit besluit van de Vlaamse Regering geeft uitvoering aan artikel 143, derde lid, artikel 241, tweede lid, artikel 266, derde lid, artikel 275, artikel 411, derde lid, en artikel 489, tweede lid van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.

Die artikelen bepalen dat de Vlaamse Regering de volgende elementen vaststelt:

o de perken waarbinnen de raad bepaalde categorieën van verrichtingen kan uitsluiten van de visumverplichting;

o de nadere voorschriften voor de uitvoering van de bepalingen van titel 4 betreffende de beleids- en beheerscyclus, evenals de bijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen, de rekeningenstelsels en de inhoud en wijze van de digitale rapporteringen;

o welke kredieten limitatief zijn;

o de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen moeten voldoen die gebruikt worden voor de toepassing van de decretale bepalingen over de beleids- en beheerscyclus;

o de nadere voorwaarden voor de toepassing van de regels over de beleids- en beheerscyclus door de districten, de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen.

Dit besluit komt daarbij in de plaats van het besluit van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Om de leesbaarheid te bevorderen wordt ervoor gekozen om dat besluit van 2010 integraal te vervangen. Ook het opschrift van dit besluit werd veranderd, waarbij de besturen waarop het van toepassing is, niet langer worden opgesomd. Het bestaande opschrift vermeldde de gemeenten, de OCMW's en de provincies, maar was eigenlijk onvolledig omdat het besluit ook van toepassing was op de autonome gemeente- en provinciebedrijven en bepaalde OCMW-verenigingen. Intussen kunnen ook de projectverenigingen ervoor kiezen om dit besluit toe te passen. Veeleer dan de opsomming uit te breiden tot een onwerkbaar lange lijst, werd ervoor gekozen om in het opschrift van het besluit op te nemen dat het de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen betreft.

De inwerkingtreding van de bepalingen over de beleids- en beheerscylus in het decreet over het lokaal bestuur verloopt gefaseerd en kan niet los gezien worden van de nieuwe bepalingen over de delegatiemogelijkheden en het organisatiebeheersingssysteem, die in werking treden vanaf 1 januari 2019. Dat betekent dat een aantal bepalingen van het besluit van 2010 ook met ingang van 1 januari 2019 moeten worden opgeheven in dit besluit.

De overige bepalingen treden in werking vanaf het boekjaar 2020, behalve voor die besturen die ervoor gekozen hebben om de nieuwe regels al toe te passen vanaf het boekjaar 2019. Artikel 594, 597 en 608 van het decreet over het lokaal bestuur bieden die mogelijkheid.

1. Situering

Vanaf 2011 startten de eerste besturen met de beleids- en beheerscyclus, in uitvoering van het Gemeente-, OCMW- en Provinciedecreet. De daaropvolgende jaren stapten steeds meer besturen in, zodat vanaf 2014 alle gemeenten, OCMW's, provincies en hun publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten die regels toepassen. Dat betekent dat al die besturen halfweg 2015 minstens één keer een volledige cyclus hadden doorlopen van planning, uitvoering en evaluatie.

In de loop van 2015 werd dan ook een uitgebreide evaluatie opgestart waarin gepeild werd naar de ervaringen bij de toepassing van de regels van de beleids- en beheerscyclus en waarbij nagegaan werd in hoeverre de doelstellingen bereikt werden die bij het opmaken van dat besluit werden geformuleerd. De voornaamste conclusies uit die evaluatie en de mogelijke wijzigingen aan de regelgeving om daaraan tegemoet te komen, heb ik u eerder al voorgelegd in de conceptnota van 15 juli 2016.

De voornaamste conclusie uit die evaluatie was dat de fundamenten van de beleids- en beheerscyclus niet in vraag gesteld moeten worden, maar dat in de concrete uitwerking ervan wel een aantal bijsturingen mogelijk en wenselijk zijn. Dat geldt met name wat betreft de beleidsrapporten, die voorgelegd worden aan de raden en op basis waarvan de raadsleden beslissingen nemen. Die beleidsrapporten zijn cruciaal in het concept van de beleids- en beheerscyclus.

Een deel van die gesuggereerde bijsturingen werden meegenomen in de opmaak van het decreet over het lokaal bestuur. Een aantal belangrijke vereenvoudigingen van de regelgeving situeren zich immers op decretaal niveau. Het meest in het oog springend daarbij zijn de integratie van het budget in het meerjarenplan en de doorgedreven deregulering van allerlei detailregelingen die voortaan overgelaten worden aan het organisatiebeheersingssysteem van de besturen zelf.

Daarnaast werden in de evaluatie ook een heel aantal suggesties gedaan die geen verband houden met de decretale regels, maar zich situeren op niveau van het uitvoeringsbesluit. Die werden opgenomen in dit besluit.

2. Kader voor dit uitvoeringsbesluit

Dit besluit doet geen afbreuk aan de fundamentele keuzes die aan de basis lagen van het besluit van 25 juni 2010. Het kader waarin dit besluit tot stand kwam, is dan voor een groot deel ook hetzelfde gebleven als de context waarin dat besluit van 25 juni 2010 werd uitgewerkt. De Vlaamse Regering moet immers niet alleen rekening blijven houden met de Vlaamse decreten, maar is evenzeer gebonden door een aantal internationale verplichtingen.

2.1. Het decreet over het lokaal bestuur

Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur heeft een aantal fundamentele keuzes gemaakt die bepalend zijn voor dit uitvoeringsbesluit. Het gaat dan in de eerste plaats om de bepalingen van titel 4 van deel 2 van dat decreet, waarin de voornaamste elementen van de beleidsrapporten worden bepaald, net als de grote lijnen van de boekhouding die moet worden gevoerd. Daarnaast bevat dat decreet ook bepalingen over de ontvangsten- en uitgavencyclus en over de organisatiebeheersing, die ook een invloed hebben op dit uitvoeringsbesluit.

In vergelijking met het Gemeente- en OCMW-decreet werd het aantal beleidsrapporten gereduceerd. Het budget werd geïntegreerd in het meerjarenplan, dat jaarlijks moet worden aangepast. Dat brengt uiteraard met zich mee dat ook in dit uitvoeringsbesluit nog slechts sprake zal zijn van drie soorten beleidsrapporten: de meerjarenplannen, de aanpassingen ervan en de jaarrekeningen. Met de budgetten zijn ook de budgetwijzigingen en de interne kredietaanpassingen verdwenen uit de regelgeving. Het is aan de besturen om zelf te bepalen hoe zij de opvolging van de kredieten, en de onderdelen daarvan, concreet vorm willen geven.

Het decreet over het lokaal bestuur heeft ook het concept van gezamenlijke beleidsrapporten voor de gemeenten en hun OCMW's ingevoerd. Die beleidsrapporten worden overeenkomstig artikel 249 van het decreet over het lokaal bestuur vastgesteld door de raden van beide rechtspersonen, maar de inhoud ervan is gemeenschappelijk. Zo kunnen beide besturen hun beleidsdoelstellingen volledig in elkaar schuiven. Voor de concrete uitvoering en de registraties blijft het onderscheid tussen beide rechtspersonen wel een belangrijk gegeven. In dit besluit wordt daar ook rekening mee gehouden, door het opleggen van de verplichting om bij elke verrichting ook aan te geven op welke rechtspersoon die betrekking heeft. Ook de praktische uitvoering (ontvangsten- en uitgavencyclus) verloopt voor elke rechtspersoon afzonderlijk.

De decretale regels hebben ook de intern verzelfstandigde agentschappen en het budgethouderschap doen verdwijnen. Die moeten dus ook niet worden hernomen in dit besluit.

In de memorie van toelichting bij het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (artikel 256 en 263) werd aangegeven dat het de bedoeling is om de autorisatie voortaan op een hoger niveau te regelen. De Vlaamse Regering krijgt de bevoegdheid om dat nader in te vullen, wat in dit besluit gebeurt in artikel 13. Tegelijk moet erover gewaakt worden dat de raadsleden voldoende informatie blijven krijgen over de uitvoering van het meerjarenplan. Daarom heeft de decreetgever een opvolgingsrapportering ingevoerd, opgenomen in artikel 263 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur. Die opvolgingsrapportering wordt in dit besluit concreter vorm gegeven in een afzonderlijke titel (titel 3), die nieuw is tegenover het besluit van 25 juni 2010.

2.2. Internationale verplichtingen

Bij de ontwikkeling van dit besluit is rekening gehouden met internationale verplichtingen in het kader van de verordening (EU) 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (ESR 2010) en de richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten. Het registratiesysteem moet in staat zijn de nodige rapporten te leveren in het kader van de internationale verplichtingen die de federale overheid heeft.

Die internationale verplichtingen zijn vervat in ESR 2010 (Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen) en COFOG (Classificatie van Overheidsfuncties). Daarnaast zijn er ook nog de aanbevelingen van de Raad van Europa die specifiek gericht zijn op de lokale overheden.

ESR 2010 is voor de EU-lidstaten verplicht gesteld door middel van Verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013. Die verordening is niet rechtstreeks van toepassing op de gemeenten, provincies en OCMW's, of hun verzelfstandigingen en samenwerkingsverbanden. Toch wordt er het best rekening mee gehouden. ESR 2010 wordt immers gebruikt als berekeningsgrondslag voor de budgettaire voorwaarden die opgenomen werden in het Verdrag van Maastricht. Die voorwaarden gelden niet alleen voor de federale overheid, maar wel voor de overheid in haar geheel. Het betreft m.a.w. ook de begrotingssaldi en overheidsschuld van de gemeenschappen en gewesten, de provincies én de lokale besturen.

Het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT