17 FEBRUARI 2021. - Wet houdende diverse bepalingen inzake justitie

 
GRATIS UITTREKSEL

FILIP, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Tenuitvoerlegging van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie

Afdeling 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2

In artikel 79 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, luidende:

"Op advies van de procureur-generaal van het rechtsgebied van het hof van beroep, wijst de eerste voorzitter in het rechtsgebied van de hoven van beroep te Antwerpen, Bergen en Gent onder de onderzoeksrechters één onderzoeksrechter aan, in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel, één Nederlandstalige en één Franstalige onderzoeksrechter en in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik, één onderzoeksrechter en één onderzoeksrechter die de kennis van de Duitse taal aantoont. Deze onderzoeksrechters dienen over een nuttige ervaring te beschikken voor het onderzoek van de misdrijven waarvoor het Europees Openbaar Ministerie bevoegd is. Deze aanwijzing heeft geen enkel gevolg voor hun statuut noch voor hun affectatie. Krachtens deze aanwijzing, behandelen zij bij voorrang de dossiers die bij hen aanhangig zijn gemaakt door de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2.".

Art. 3

In deel II, boek I, titel II, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 156/1 ingevoegd, luidende:

"Art. 156/1. § 1. De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers, die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2, zijn bevoegd over het gehele grondgebied van het Rijk voor de uitoefening van de strafvordering voor de misdrijven die de financiële belangen van de Europese Unie schaden overeenkomstig de artikelen 4, 22 en 23 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie.

§ 2. Wanneer zij hun bevoegdheid uitoefenen in de gevallen en volgens de nadere regels bepaald door de wet en dezelfde Verordening (EU) 2017/1939, voeren de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen en de rechtbanken van eerste aanleg.

§ 3. De procureur des Konings, de procureur-generaal of de federale procureur brengt zonder onnodige vertraging de gedelegeerde Europese aanklagers op de hoogte wanneer een misdrijf bedoeld in paragraaf 1 bij hem aanhangig wordt gemaakt volgens de nadere regels bepaald in een omzendbrief van het College van procureurs-generaal.

§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 3 beslissen de gedelegeerde Europese aanklagers of zijzelf de strafvordering uitoefenen.

Overeenkomstig artikel 25, lid 6, van dezelfde Verordening (EU) 2017/1939 en onverminderd de andere bepalingen van deze verordening, indien de procureur des Konings, de procureur-generaal of de federale procureur de beslissing van de gedelegeerde Europese aanklagers om zelf de strafvordering uit te oefenen wenst te betwisten, wendt hij zich tot het College van procureurs-generaal dat, na overleg met de gedelegeerde Europese aanklagers en de betrokken procureur des Konings of procureur-generaal of de federale procureur, beslist wie er bevoegd is om de zaak te behandelen. Tegen de beslissing van het College van procureurs-generaal staat geen rechtsmiddel open.

Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal of de federale procureur enerzijds en de gedelegeerde Europese aanklagers anderzijds betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.

Het College van procureurs-generaal mag een prejudiciële vraag voorleggen aan het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 42, lid 2, c), van dezelfde Verordening (EU) 2017/1939.".

Art. 4

In artikel 309/2, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "en de nadere werkingsregels" vervangen door de woorden ", de nadere werkingsregels, het statuut, de rechtspositie en de wedde van de betrokken personeelsleden".

Art. 5

Artikel 873, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin:

"De voorafgaande machtiging van de minister van Justitie is niet vereist wanneer de ambtelijke opdracht is uitgevoerd door de Europese aanklager of de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2.".

Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

Art. 6

In boek I, van het Wetboek van strafvordering wordt een hoofdstuk IVter ingevoegd, luidende "De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers".

Art. 7

In hoofdstuk IVter, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 47quaterdecies ingevoegd, luidende:

"Art. 47quaterdecies. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden bedoeld in artikel 156/1 van het Gerechtelijk Wetboek, beschikken de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT