Arrest nr. F.08.0010.N van België, 14 januari 2010

Datum uitspraak:14 januari 2010
Uitgevende instantie::België
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. F.08.0010.NAIRCRAFTS CIDRA DISTRIBUTION, naamloze vennootschap, met zetel te 8560 Wevelgem, Luchthavenstraat 1, bus 1,eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,tegenBELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het derde btw-ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoeveniersstraat 31,verweerder,vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOFHet cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 februari 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent.Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.II. FEITEN EN PROCEDUREVOORWAARDENUit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt het volgende:1. De eiseres heeft als activiteit met name opleidingen te geven die kunnen leiden tot zowel het brevet van beroepspiloot als dat van sportpiloot.2. Een dwangbevel is in 1999 lastens de eiseres uitgevaardigd wegens het niet aanrekenen van btw voor beide opleidingen.3. Het beroepen vonnis oordeelt dat de eiseres btw verschuldigd is voor de opleidingen tot sportpiloot, maar niet voor de beroepsopleidingen. Tegen het beroepen vonnis is door de verweerder hoger beroep ingesteld.III. CASSATIEMIDDELDe eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen- artikel 13 van de Zesde Richtlijn nr. 77/288/EEG (lees 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;- artikel 10 (ex-art. 5) en 249, derde lid (ex-artikel 189) van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, hierna EG-Verdrag;- artikel 44, §2, 4° van het Btw-wetboek.Aangevochten beslissingenHet bestreden arrest: "Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond; Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van (de eiseres) ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van (de eiseres) ongegrond; Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt: (...)".op grond van de motieven:"2.(De eiseres) verstrekt onder meer opleiding voor het bekomen van de vergunning van privaat piloot tot en met beroepspiloot en bijhorende bevoegdverklaringen (...). Zij maakt aanspraak op de vrijstelling van btw op de ontvangsten van pilootopleidingen en beroept zich hiertoe op artikel 44, §2, 4°, Btw-wetboek.Artikel 44, §2, 4°, Btw-wetboek, over de toepassing waarvan het geschil loopt, bepaalt: ‘Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld:(...)het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing'; Een van de voorwaarden van toepassing van de vrijstelling is dat het onderwijs of de opleiding zou verstrekt worden door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen.Een nadere precisering van wat moet begrepen worden onder instellingen die door de bevoegde overheid zijn erkend, is niet terug te vinden.Artikel 13, A, 1, j van de Zesde Richtlijn ut. 77/388/EEG 17 mei 1997 van de Raad, waarvan artikel 44, §2, 4°, Btw-wetboek de omzetting is in Belgisch recht, luidt:‘A. Vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang1. Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:i) onderwijs aan kinderen of jongeren, school - of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken Lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend'; Het (hof van beroep) dient het begrip ‘instellingen die door de bevoegde overheid zijn erkend', indien mogelijk, te interpreteren aan de hand van de Zesde Richtlijn. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geeft aan welke de verplichtingen van de nationale rechters zijn in dit verband (...):‘108. Er zij aan herinnerd dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (...). Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging slaat op alle bepalingen van nationaal recht, ongeacht of deze dateren van eerdere of latere datum dan de betrokken richtlijn (...).109. Het vereiste van een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het Verdrag, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (...).110. Het is juist dat de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT