Arrest nr. P.09.0901.N van België, 27 oktober 2009

Datum uitspraak:27 oktober 2009
Uitgevende instantie::België
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. P.09.0901.N

R. C. M.

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel.

  1. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

    Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 mei 2009.

    De eiser voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, grieven aan.

    Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

    Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

  2. BESLISSING VAN HET HOF

    Beoordeling

    Eerste grief

    1. De grief voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbeschuldigingstelling die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, geen maatregel tot herstel kan uitspreken; die vaststelling houdt immers in dat het onderzoeksgerecht de vastgestelde schending van het verdrag moet sanctioneren; wanneer het onderzoeksgerecht geen beoordeling van de grond van de zaak kan doen, belet niets dat het oordeelt dat de strafvordering vervallen of niet ontvankelijk is.

    2. Artikel 13 EVRM bepaalt: "Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie."

      Die rechtshulp houdt in dat wanneer de nationale instantie bedoeld in die bepaling vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, zij een passend rechtsherstel moet bieden.

    3. Geen enkele verdragrechtelijke of wettelijke bepaling stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.1. EVRM de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering voor gevolg heeft. De rechter beoordeelt welke in het stadium van de rechtspleging waar het uitspraak doet, het passende rechtsherstel is. Dit rechtsherstel kan in dat stadium van de rechtspleging bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmede de verwijzingsrechter die ten gronde oordeelt, dan rekening zal moeten houden bij de globale beoordeling van de zaak.

      Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

      De grief kan niet worden aangenomen.

      Tweede grief

    4. De grief voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en, voor zover als nodig, de artikelen 131, § 1, en 135, § 2, Wetboek van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT