Beslissing nr. 06-1422/W12662 van Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, 19 april 2007

Spreker:W. Muls
Datum uitspraak:19 april 2007
Uitgevende instantie::Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen
Land:Erreur
 
GRATIS UITTREKSEL

BESLISSING

W12662/SB26 van 19 april 2007

In zake:XGekozen woonplaats: X

tegen:

de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

DE GEMACHTIGDE BIJZITTER VAN DE 1ste NEDERLANDSE KAMER,

Gezien het verzoekschrift dat X, van Iraakse nationaliteit, op 31 maart 2006 heeft ingediend om de hervorming te vorderen van de beslissing tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 maart 2006, aan de verzoekende partij verzonden op 20 maart 2006.

Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding ingediend op 10 januari 2007.

Gezien de nota van de verwerende partij ingediend op 6 maart 2007.

Gelet op de beschikking van 12 maart 2007, verzonden op 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 april 2007.

Gehoord het verslag van gemachtigde bijzitter W. MULS.

Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en haar advocaat I. FLACHET, die verschijnt loco advocaat M. ELLOUZE en van attaché K. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij.

Gelet op artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

1.1. Het feitenrelaas van de bestreden beslissing luidt als volgt:

"Volgens uw verklaringen bent u een Yezidi afkomstig uit Buzan in Centraal-Irak. De mannelijke leden van uw familie zouden als bewakers hebben gewerkt van de christelijke kerk "OLV Mariam" in Buzan. In 2001 zou u ook beginnen werken zijn als bewaker van deze kerk. In de kerkgebouwen zouden een aantal weeskinderen verbleven hebben. In juli 2004 zouden alle weeskinderen naar Mosul gebracht zijn om daar in de plaatselijke kerk, "Mar Paulus" te gaan bidden. Toen jullie terug naar huis wilden vertrekken, zou er een aanslag gepleegd zijn. Hierbij zouden ongeveer acht weeskinderen zijn omgekomen en één pastoor zwaargewond zijn geraakt.

Na dit incident zouden jullie de kerk "OLV Mariam" verder beveiligd hebben met prikkeldraad zodat auto's niet langer tot vlakbij de kerk konden rijden. Op 5 september 2005 zou u vanuit uw bewakerspost een auto zien naderen hebben. U en nog een andere bewaker zouden op de wagen geschoten hebben aangezien hij door de prikkeldraad dreigde te rijden. Ondertussen zou pastoorX de politie opgebeld hebben. Even later zou de politie na een vuurgevecht de drie inzittenden van de wagen gearresteerd hebben. Later zou u vernomen hebben van pastoor X dat de gearresteerden tot de terroristische organisatie "Ansar al Islam" behoorden. In deze periode zouden jullie regelmatig dreigbrieven ontvangen hebben van deze organisatie. Op 20 september 2005 zou uw broerX zijn doodgeschoten toen hij op weg was naar huis. Twee dagen later zou de begrafenis plaatsgevonden hebben. Op 24 september 2005 zou pastoorX u gewaarschuwd hebben dat er nog enkele dreigbrieven waren aangekomen, die specifiek aan u gericht waren. Hij zou u aangeraden hebben om het land te ontvluchten. Op 30 september 2005 zou u vanuit Buzan naar Istanbul (Turkije) gereisd zijn, waar u op 5 oktober 2005 aankwam. Op 10 oktober zou u vanuit Istanbul naar België gereisd zijn, waar u op 17 oktober 2005 aankwam."

1.2 Verzoeker formuleert geen opmerkingen over deze feitenweergave.

2.1. Verweerder verklaart ter zitting afstand te doen van de exceptie van onontvankelijkheid omdat het verzoekschrift geen keuze van woonplaats bevat.

2.2. Uit het rechtsplegingsdossier zijn geen elementen af te leiden die zich verzetten tegen de inwilliging van de afstand van de exceptie. De afstand van de exceptie van onontvankelijkheid omdat het verzoekschrift geen keuze van woonplaats bevat, wordt ingewilligd.

3.1. Verweerder voert een exceptie van onontvankelijkheid aan omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting van middelen bevat, terwijl dit een substantiële vereiste van het verzoekschrift is. Verweerder stelt dat uit de gewone lezing van het verzoekschrift minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal moet blijken.

3.2. De Commissie stelt vast dat met "het voorliggend verzoekschrift" het verzoekschrift tot voortzetting ingediend op 10 januari 2007 wordt bedoeld.

Artikel 235, §3, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt dat het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift op straffe van onontvankelijkheid dient te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de voormelde wet van 15 december 1980 met uitzondering van de vereiste bepaald in artikel 39/69, §1, tweede lid, 4°. Deze uitzondering betreft de vereiste van een uiteenzetting van feiten en middelen. De exceptie wordt verworpen.

4.1. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt:

"Niettegenstaande de initiële ontvankelijkheidsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dient in de gegrondheidsfase door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) te worden vastgesteld dat u de hoedanigheid van vluchteling niet kan worden toegekend. Dit omwille van onderstaande redenen.

Er dient te worden opgemerkt dat u een aantal flagrant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang brengt. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de aanslag in juli 2004 plaatsvond toen jullie aan de kerk "Mar Paulus" te Mosul aankwamen (zie gehoorverslag DVZ, p. 10). Op het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT