Arrest nr. 2013PGA2030 van Hof van Beroep, Antwerpen, 3 april 2014

Datum uitspraak: 3 april 2014
Uitgevende instantie::Antwerpen
 
GRATIS UITTREKSEL

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 april 2014

te Antwerpen, 9e kamer

(...)

4. Beoordeling

-

4.1. Ontvankelijkheid van de rechtsmiddelen

a) Het hoger beroep van beklaagde tegen alle schikkingen van het bestreden vonnis te zijnen laste uitgesproken, is ontvankelijk, behoudens - bij gebrek aan belang - tegen de schikkingen die zijn verzet ontvankelijk verklaren.

b) Het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij tegen alle schikkingen van het bestreden vonnis te zijnen laste uitgesproken, is ontvankelijk enkel voor zover deze schikkingen zijn eis in tussenkomst betreffende het in beslag genomen goed neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen onder overtuigingsstaat nr. 09/4239, betreffen. Het is, bij gebrek aan hoedanigheid, niet ontvankelijk voor het overige.

4.2 Beoordeling op strafrechtelijk gebied

4.2.1. Voorafgaande beoordeling: nietigheid bestreden vonnis

a) Het bestreden vonnis, ten aanzien van beklaagde op verzet gewezen, veroordeelt beklaagde onder meer tot betaling van een geldboete van 100,00 euro, vermeerderd met 45 décimes en aldus gebracht op 550,00 euro en van een vergoeding van 51,20 euro. Bij verstekvonnis van 11 februari 2013 daarentegen werden respectievelijk eenzelfde geldboete met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar en een vergoeding ten bedrage van 50,00 euro opgelegd.

b) Door alzo te beslissen, werd in het bestreden vonnis een onwettelijke verzwaring van de toestand van beklaagde uitgesproken. Omwille van de devolutieve werking van het verzet, kan dit rechtsmiddel immers geen nadeel toebrengen aan de partij die het instelt. Om voormelde reden is het bestreden vonnis nietig en doet het hof opnieuw recht.

4.2.2. Feitelijke omstandigheden en procedurele voorgaanden

a) Op grond van de dossierstukken waarop het hof vermag acht te slaan en de pleidooien ter rechtszittingen van het hof zijn de hierna vermelde vaststellingen als vaststaand te beschouwen:

- op 20 januari 1995 liet beklaagde een met de hand gegraveerd geweer FN Superposé kaliber .20, zijn eigendom zijnde en beweerdelijk van grote waarde, als jachtwapen registreren in het Centraal Wapenregister;

- na uitnodiging daartoe bood beklaagde zich op 26 november 2009 aan bij de lokale politie te Mechelen teneinde uitleg te verschaffen nopens de niet-tijdige regularisatie van het wapen ingevolge de gewijzigde wapenwetgeving van 8 juni 2006; hij erkent sedert 1 november 2008 in het bezit te zijn van een niet-vergund vergunningsplichtig wapen, maar voert aan van de gewijzigde wapenwetgeving onwetend te zijn geweest gezien zijn verblijf in Spanje tussen 1997 en 2007, en stelt het wapen alsnog te willen regulariseren;...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT