Vonnis nr. ME64.L4.8311-10 van Rechtbank van eerste aanleg, Mechelen, 17 januari 2014

Datum uitspraak:17 januari 2014
Uitgevende instantie::Mechelen
 
GRATIS UITTREKSEL

De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, elfde kamer, rechtsprekend in correctionele zaken, wijst het volgende vonnis :Inzake van het Openbaar Ministerie tegen : V. J., Vertegenwoordigd door Mr. M. Van der Aa loco Mr. W. Dom, advocaat, kan-toorhoudende te 2580 Putte, Waversesteenweg 81Naar deze Rechtbank verwezen door bevel van de Raadkamer.VERDACHT VAN:Te B., tussen 1 januari 2010 en 15 juni 2011,A. Opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning afvalstoffen, zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, meer bepaald in strijd met artikel 12 van het Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, thans inbreuk uitmakende op artikel 12 § 1 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen, namelijk allerlei afvalstoffen op te slaan zonder het nemen van de nodige veiligheidsmaatregelen en het verbranden van afvalstoffen zoals; plastic, papier en karton waarbij de rookgassen ongefilterd in de buitenlucht komen, deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.3§1 , eerste lid van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.B. Op het perceel aldaar gelegen te x, bij inbreuk op artikel 6.1.1.3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat hiernavermelde handelingen, zoals bepaald bij artikel 4.2.1 5°a (het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande mate-rialen, materieel of afval) hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, namelijk de opslag van allerlei afvalstoffen, ondermeer oude machines, afvaloliën, oude metalen, steen, hout, glas, steenpuin,... werd uitgevoerd.C. Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 4§1 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende milieuvergunning en op artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) door zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een inrichting te hebben geëxploiteerd, meer bepaald- rubriek 2.1.1 van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,- rubriek 2.1.3 van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,- rubriek 2.3.4.2,d van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,- rubriek 2.3.4.2,e van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,- rubriek 2.2.1,c van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,- rubriek 2.2.1,d van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,- rubriek 2.2.1,e van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,- rubriek 2.2.2.3°.2, van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1.§1, lid 1 van het De-creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.4 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zich te horen veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een door de rechter vastgelegde termijn, onder verbeurte van een dwangsom van 1000 euro per dag bij niet naleving van deze veroordeling.Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.5 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door de rechter bij wijze van veiligheidsmaatregel, na de partijen te hebben ge-hoord, het verbod te horen uitspreken om de inrichtingen die aan de oor-sprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen door de rechter te bepalen onder verbeurte van een dwangsom van 1000 euro per dag bij overtreding van dit verbod.De aandacht van de gerechtsdeurwaarder, met de betekening gelast, dient er op gevestigd te worden dat deze dagvaarding, overeenkomstig artikel 6.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening door zijn zorgen aan de hypotheekbewaarder van de ligging van het onroerend goed dient te wor-den aangeboden ter overschrijving.Tevens wordt gewezen op artikel 6.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimelijke Ordening, dat stelt dat de dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in het verenigingsregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is wordt ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.Er wordt gevraagd dat de gerechtsdeurwaarder een kopie van voormeld verzoek aan de dagvaarding hecht.Gelet op de processtukken.Gelet op de beschikking van de raadkamer dd. 07 mei 2013 waarbij de be-klaagde naar deze rechtbank werd verzonden.Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.Gehoord de beklaagde in zijn middelen van verdediging.BEOORDELING OP STRAFGEBIED 1. De opgeworpen verjaringDe heer V. werpt op dat de feiten weerhouden onder de tenlasteleggingen B verjaard zijn, en dat de feiten onder de tenlastelegging C, omwille van de beweerde samenhang met de feiten onder de tenlastelegging B, dan even-eens verjaard zijn.De heer V. stelt, onder verwijzing naar artikel 6.1.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de instandhouding van stedenbouwmisdrijven niet langer strafbaar is. Volgens hem is, bij gebreke aan bijzondere verjaringstermijnen, de termijn van artikel 2262 van het burgerlijk wetboek van toepassing. Bijgevolg verjaart volgens de heer V. een bouwmisdrijf indien het niet binnen de vijf jaar geverbaliseerd en vervolgd wordt nadat de overheid kennis heeft gekregen van de schade of de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.De heer V. stelt verder dat de overheid reeds sinds 15.10.2001 kennis had van de schade en van zijn identiteit. De heer V. verwijst daarvoor naar een brief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT