Arrest nr. S.12.0123.F van Hof van Cassatie, België, 2 december 2013

Datum uitspraak: 2 december 2013
Uitgevende instantie::België
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. S.12.0123.FBELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken,Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,tegenH. E. M.I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOFHet cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 18 juni 2012.Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.II. CASSATIEMIDDELDe eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:Geschonden wettelijke bepalingen- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet;- de artikelen 17 en 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap;- voor zoveel nodig, de artikelen 1, 2, en 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.Aangevochten beslissingenHet bestreden arrest beslist dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het toepasselijk is op personen met een handicap voor wie de geplande medische herziening recht op hogere tegemoetkomingen tot gevolg heeft. Voorts beveelt het de heropening van het debat om de partijen de mogelijkheid te bieden over de in het arrest bedoelde vragen standpunt in te nemen, met name betreffende de gevolgen van de vastgestelde ongrondwettigheid. Het motiveert die beslissingen met alle redenen die hier worden verondersteld volledig te zijn weergegeven, in het bijzonder met de volgende re-denen:"Inzake de integratietegemoetkomingHet debat wordt heropend over de gevolgen van de ongrondwettigheid van artikel 23, § 2, vijfde lid, van het van het koninklijk besluit van 22 mei 2003. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd: De administratieve voorgeschiedenis [...]Onderzoek van de betwistingDe litigieuze kwestieNa het deskundigenonderzoek blijkt dat de medische toestand van de verweerder verslechterd is, namelijk dat hij, voor onbepaalde duur, sinds 1 oktober 2007 een verminderde zelfredzaamheid heeft die 12 punten bedraagt in plaats van 9 punten die hem van 1 oktober 2005 tot 30 september 2007 waren toegekend.Het geschil betreft de datum waarop hem wegens die verslechtering een hogere integratietegemoetkoming moet worden toegekend.De verweerder meent recht te hebben op een integratietegemoetkoming van categorie 3 in plaats van categorie 2 en dat sinds 1 oktober 2007, de eerste dag van de maand volgend op het tijdstip waarop de medische herziening gepland was. De eiser kent hem het recht op een integratietegemoetkoming van categorie 3 slechts toe vanaf 1 oktober 2009, de eerste dag van de maand volgend op de beslissing van de administratie inzake de geplande medische herziening. De litigieuze periode situeert zich tussen 1 oktober 2007 en 30 september 2009, rekening gehouden met de nieuwe beslissing van de eiser van 28 maart 2011, die de verweerder een integratietegemoetkoming van categorie 3 toekent vanaf 1 oktober 2009. De regelgevingArtikel 23 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 bepaalt: [...]Artikel 23, § 2, vijfde lid, bepaalt dat de nieuwe beslissing inzake een geplande medische herziening uitwerking heeft op de eerste dag volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing. Het maakt niet uit of de herziening in het nadeel is van de gehandicapte persoon, bij verbetering van zijn medische toestand, dan wel in zijn voordeel, bij verslechtering van zijn toestand. De toetsing van regelgeving aan het beginsel van niet-discriminatieDe verweerder voert aan dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet heeft de rechter het recht en de plicht na te gaan of de bepalingen van het koninklijk besluit overeenstemmen met de hogere rechtsnormen en inzonderheid met de Grondwet zelf. Die toetsing moet zowel de externe als interne wettelijkheid van de bepalingen van het koninklijk besluit betreffen en beperkt zich niet tot de kennelijke onregelmatigheden [...].De gelijke behandeling van personen die zich ten aanzien van de toe te passen norm in verschillende situaties bevinden, kan discriminerend zijn als die gelijke behandeling niet redelijk verantwoord is. Artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 behandelt in het kader van een geplande medische herziening personen in verschillende situaties op gelijke wijze te weten, enerzijds, de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT