Vonnis nr. 13/67/A van Rechtbank van eerste aanleg, Mechelen, 4 maart 2014

Datum uitspraak: 4 maart 2014
Uitgevende instantie::Mechelen
 
GRATIS UITTREKSEL

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, eerste kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

A.R. nr. 13/67/A INZAKE :

De heer A. V. H., technisch agent, en zijn echtgenote mevrouw G. V., verpleegster, eisers in hoger beroep, verweerders op incidenteel beroep, die als raadsman hebben Mr. Carl Hubrechts, advocaat te 3010 Kessel-Lo, Tiensesteenweg 305

TEGEN :

De Gemeente B, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, verweerster in hoger beroep, eiseres op incidenteel beroep, die als raadsman heeft Mr. Joris Mattijs, advocaat te 2500 Lier, Donk 54

* * * * *

De rechtbank neemt in acht:

- het eerder vonnis van deze kamer van 31.12.2013 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen op de zitting van 04.02.2014, en de aldaar vermelde procedurestukken,

- de voor partijen reeds overgelegde stukken en de thans, na heropening debatten, door partijen neergelegde stukken aangaande de bezitsvordering.

  1. Procedure

    1.1.

    De rechtbank herneemt de zaak.

    De betwistingen tussen de partijen hebben betrekking op een voetweg die zich bevindt te B., en deels loopt over de percelen gekend onder de kadastrale nummers 101 - 102c 102d 102e 102f 100 99 103c 104 waarvan eisers in hoger beroep de eigenaars zijn.

    1.2.

    De vorderingen van partijen blijven na vonnis van deze kamer van 31.12.2013 ongewijzigd.

    1.3.

    Bij vonnis van deze kamer van 31.12.2013 werd het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard. Het incidenteel beroep door verweerster in hoger beroep ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie op 05.04.2013 is ontvankelijk.

  2. Beoordeling

    2.1.

    Voor wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft, verwijst deze rechtbank naar de omstandige uiteenzetting daarvan gedaan door de eerste rechter in het vonnis van 27.09.2012 en door deze kamer in haar vonnis van 31.12.2013.

    2.2.

    Eisers in hoger beroep vorderden voor de eerste rechter om aan verweerster in hoger beroep een verbod op te leggen om de percelen gelegen te B., gekend onder de kadastrale nummers 101 - 102c 102d 102e 102f 100 99 103c 104 te betreden, haar te veroordelen tot betaling van een vergoeding van euro 500,00 per vastgestelde overtreding en van de kosten van het geding.

    Verweerster in hoger beroep vorderde voor de eerste rechter bij tegeneis om te horen zeggen voor recht dat zij een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang geniet met betrekking tot de verbindingsweg gelegen xxx, eisers in hoger beroep te veroordelen tot betaling van een bedrag van euro 10.000,00 wegens tergend en roekeloos geding, meer de kosten van het geding.

    De eerste rechter heeft geoordeeld dat naar genoegen van recht bewezen is dat de weg (zoals aangeduid in stippellijn op het kadasterplan) minstens sedert 1944 door het publiek gebruikt werd om zich tijdens de zomermaanden te voet of met de fiets te verplaatsen tussen de xxx en de yyy. De verkrijgende verjaring van de publieke erfdienstbaarheid werd volgens de eerste rechter verworven in 1973, hetzij voor 17.06.1976, datum waarop eisers in hoger beroep het lijdend erf aankochten. De eerste rechter heeft de vordering van eisers in hoger beroep dan ook als ongegrond afgewezen en de tegenvordering gegrond verklaard.

    Eisers in hoger beroep kunnen zich niet neerleggen bij de beslissing van de eerste rechter en houden in de eerste plaats voor dat de eerste rechter uitgaat van een wegenis die er gewoon niet was. Op het originele kadasterplan vindt men volgens eisers in hoger beroep geen stippellijn van de kwestieuze weg, wel van de Kerkweg die evenwel niet over hun perceel loopt. Volgens eisers in hoger beroep heeft er nooit een wegenis over hun erf gelopen. Verder stellen zij dat ze louter gedoogd hebben dat fietsers en voetgangers tijdens de droge zomermaanden over hun eigendom mochten rijden. Bovendien zijn volgens eisers in hoger beroep de voorwaarden van artikel 2229 van het burgerlijk wetboek (deugdelijk bezit) teneinde zich te kunnen beroepen op de verkrijgende verjaring niet vervuld.

    Verweerster in hoger beroep stelt incidenteel beroep in inzoverre de eerste rechter haar oorspronkelijke tegenvordering tot een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono begroot op euro 10.000,00 als ongegrond heeft afgewezen.

    2.3. Betreffende het hoofdberoep

    2.3.1. Bestaan van een wegenis over het erf V. H.-V. D. V.

    Eisers in hoger beroep stellen dat de eerste rechter in zijn beoordeling vertrok van een wegenis die er niet was. Volgens eisers in hoger beroep bestaat er slechts één buurtweg, met name de zzz die op het originele kadasterplan van 1944 werd aangeduid met een stippellijn en die niet over hun erf doch +/- parallel er mee loopt. Over hun erf loopt volgens eisers in hoger beroep geen wegenis.

    Bij exploot van dagvaarding van 24.06.1985 startte verweerster in hoger beroep voor de vrederechter te Lier een procedure lastens eisers in hoger beroep teneinde hen te verplichten de zate van de erfdienstbaarheid van overgang vrij van stoornissen te maken, nu eisers in hoger beroep eerst de duiker hadden weggenomen en vervolgens een poort tot afsluiting van hun erf hadden geplaatst.

    Deze procedure werd definitief beslecht bij vonnis in hoger beroep (en op verwijzing na cassatie) van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09.04.1991. De daarop volgende voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest van 11 september 1992. Hangende de bezitsvordering (reintegranda) ingeleid bij exploot van 24.06.1985 werd bij exploot van dagvaarding van 19.07.1988 tevens een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT