Arrest nr. 2010AR1036 van Hof van Beroep, Brussel, 28 oktober 2013

Datum uitspraak:28 oktober 2013
Uitgevende instantie::Brussel
 
GRATIS UITTREKSEL

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1036

INZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester VAN GRONSVELD loco Meester Jan BERGÉ, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat 165,

1ste kamer

TEGEN :

De heer G. D., landbouwer-loonwerker, ...ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0583.713.435,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan OPSOMMER, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Kasteelstraat 8,

MESTDECREET 23/1/1991. Art. 26 ervan: verjaringstermijn van vijf jaar. Stuiting van deze verjaring. Sanctie;geldboete. Oplegging ervan binnen een redelijke termijn.

De vordering ontstaat wanneer de administratieve geldboete wordt opgelegd. Voormelde bepaling schrijft niet voor wanneer de administratieve geldboete moet worden opgelegd. Geen enkele andere bepaling van het Mestdecreet schrijft voor wanneer een administratieve geldboete moet worden opgelegd. Het opleggen van een administratieve geldboete is in dit geval niet afhankelijk gemaakt van een wettelijk bepaalde termijn. De administratieve geldboete gaat uit van het bestuur en het bestuur dient behoorlijk te besturen, waaruit volgt dat de administratieve geldboete slechts mag worden opgelegd na zorgvuldig onderzoek, na de betrokkene te hebben gehoord en op grond van objectieve, controleerbare redenen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, dit alles binnen een redelijke termijn waarbij rekening wordt gehouden met de houding van de betrokkene. Indien het bestuur op de voorgeschreven wijze behoorlijk handelt, wordt tegemoet gekomen aan het vereiste van rechtszekerheid.

_______________________________________________________

Het verloop van de procedure in eerste aanleg

G. D. heeft op 25 januari 2008 dagvaarding doen betekenen aan het VLAAMS GEWEST om zich te verzetten tegen het dwangbevel van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ van 27 december 2007 waarbij hem werd bevolen een administratieve geldboete van 20.020,00 euro te betalen meer kosten van betekening en inningsrechten wegens het opbrengen van teveel nutriënten op cultuurgrond tijdens de productiejaren 2000 en 2001.

Hij hield voor dat het dwangbevel geen rechtsgrond had, dus onwettig was en om die reden moest worden vernietigd.

Ondergeschikt hield hij voor dat de vordering verjaard was.

Nog meer ondergeschikt leidden een aantal feitelijkheden er volgens hem toe dat de administratieve geldboete moest worden herleid.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel besliste met haar vonnis van 8 december 2009:

- het verzet is ontvankelijk;

- de administratieve geldboete is verjaard;

- het VLAAMS GEWEST wordt veroordeeld tot de kosten, begroot op 235,90 euro (dagvaardingskosten) en 2.000,00 euro rechtsplegings-vergoeding.

Het hoger beroep

Het VLAAMS GEWEST stelde hoger beroep in tegen dit vonnis met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 15 april 2010.

Het bestreden vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Het hof beantwoordt de syntheseconclusies die partijen neerlegden ter griffie: het VLAAMS GEWEST op 21 september 2011 en D. op 18 november 2011.

Het standpunt van het VLAAMS GEWEST

Het VLAAMS GEWEST houdt voor dat, op basis van de gegevens die bij de Mestbank beschikbaar waren, bleek dat er geen overeenstemming was tussen de effectief opgebrachte nutriënten en de hoeveelheden vermeld in de aangiftes voor de productiejaren 1999, 2000 en 2001, en dat D. met een aangetekende brief van 4 april 2003 uitgenodigd werd om een verklaring af te leggen. D. werd verhoord op 14 april 2003 en op 25 april 2003 werd een proces-verbaal opgesteld wegens het opbrengen van meer nutriënten dan de decretaal toegelaten hoeveelheid. Nadat met een aangetekende brief van 2 juni 2003 D. de kans geboden werd om de aangegeven meststoffen in overeenstemming te brengen met de werkelijk opgebrachte hoeveelheden, ontving de Mestbank op 24 juni 2003 de gecorrigeerde aangifte. In een navolgend proces-verbaal van 17 juli 2003 werd vastgesteld dat de in het aanvankelijk proces-verbaal vastgestelde ruime overschrijdingen in realiteit nog groter zijn. Op 2 maart 2004 werd een administratieve geldboete opgelegd wegens overbemesting tijdens de productiejaren 2000 en 2001.

Op 27 maart 2004 diende D. een verzoekschrift in tot vermindering of kwijtschelding van de administratieve geldboete en tot uitstel van betaling, waarop door de Mestbank geantwoord werd op 13 september 2004: de administratieve geldboete werd herleid tot 20.020,00 euro en er werden betalingsmodaliteiten toegekend.

D. diende vervolgens driemaal een nieuw verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de boete in, waarin de eerder aangehaalde argumenten telkens grotendeels werden hernomen. Het tweede verzoekschrift van 13 oktober 2004 werd door de Mestbank beantwoord op 31 maart 2005: de boete blijft behouden evenals de betalingsmodaliteiten (zij het dat de eerste betalingsdatum werd verschoven van 13 oktober 2004 tot 30 april 2005). Het derde verzoekschrift van 6 april 2005 werd beantwoord door de Mestbank op 24 februari 2006: de boete blijft behouden evenals de betalingsmodaliteiten (zij het dat de eerste betalingsdatum nogmaals verschoven werd tot einde juni 2006).

De Mestbank stuurde een aanmaning op 15 oktober 2007 omdat er nog niet betaald was. Op 27 december 2007 werd het dwangbevel betekend. Op 25 januari 2008 werd...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT