Arrest nr. C.11.0712.N van Hof van Cassatie, België, 26 september 2013

Datum uitspraak:26 september 2013
Uitgevende instantie::België
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. C.11.0712.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Leef-milieu, Natuur en Cultuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35, bus 5,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

  1. REWA BENELUX nv, in vereffening, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Boomgaardstraat 76, vertegenwoordigd door haar vereffenaar Luc MORTELMANS, wonende te 2500 Lier, Leopoldsplein 37,

  2. AXA BANK EUROPE nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorst-laan 25,

    verweersters,

    vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweersters woon-plaats kiezen.

    1. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

      Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 november 2010.

      Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 24 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

      Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

      Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

    2. CASSATIEMIDDELEN

      De eiser voert twee middelen aan.

      Eerste middel

      Geschonden wettelijke bepalingen

      - artikel 7 Gerechtelijk Wetboek;

      - artikel 44, § 1, 1°, van de wet 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw;

      - artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 104 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling, van het ruimtelijke plannings-, vergunningen-en handhavingsbeleid;

      - de artikelen 52, § 1, derde lid, 54, § 2, § 3 en § 4 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest;

      - artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het decreet van 21 december 1994 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

      - artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995 betreffende de definitieve aanwijzing van de be-schermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

      - de artikelen 3 en 4 van het decreet van 21 december 1994 houdende be-krachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

      - de artikelen 63, 64 en 65 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

      - artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;

      - artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud,

      Bestreden beslissing

      Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweersters ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald, hervormt het vonnis a quo voor zover het oordeelt over de grond van de vordering van de eerste verweerster en verklaart de vordering van de eerste verweerster gegrond in volgende mate, veroordeelt de eiser tot de betaling aan de eerste verweerster van 979.309,84 EUR, plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 2.088.162,65 EUR vanaf 6 december 1995 tot 8 februari 2002, op 27.682,26 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 2.017.757,11 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 42.723,27 EUR vanaf 6 december 1995 tot 15 maart 2002, op 979.309,84 EUR euro vanaf 6 december 1995 tot 22 april 1998, waarna de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet, en verklaart de incidentele vordering van de eiser ont-vankelijk maar ongegrond en dit op volgende gronden:

      "4.2. De vergoeding overeenkomstig artikel 54

      4.2.1. De waarde van het goed op het ogenblik van verwerving

      Artikel 1, § 1, van het Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud bepaalt dat in aanmerking wordt genomen als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving: ‘het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving door de aanvrager'.

      (De verweersters) werpen op dat deze regeling onwettig is, omdat de Vlaamse regering aldus de bevoegdheid te buiten gaat die haar is gegeven door artikel 54, § 6, Wet op het natuurbehoud. Dit bepaalt: ‘De Vlaamse Executieve bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, inzonderheid wat betreft de vaststelling van de waarde van het goed en de actualisering ervan. Wat de actualisering betreft, dient deze te geschieden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen'. Anders dan (de verweersters) menen, bepaalt de Vlaamse regering door de verwijzing naar de grond voor de registratierechten niet de waarde, maar bepaalt zij de wijze waarop de waarde wordt vastgesteld, wat dus een uitvoeringsmodaliteit is. Er is dus geen reden om het besluit wat dit betreft buiten toepassing te verklaren. Overigens is de verwijzing naar de registratierechten niet onlogisch; die worden immers geheven op de verkoopprijs, en die mag geacht worden te beantwoorden aan de marktwaarde.

      Terecht laten (de verweerders) gelden dat ‘het goed' moet begrepen worden als het gehele onroerend goed, dit is met inbegrip van de gebouwen, en niet enkel de grond. (De eiser) stelt dat alleen de grond en de daarmee overeenstemmende waarde in aanmerking mag genomen worden, maar die beperking vindt geen steun in de tekst van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of van het Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54. Het goed dat (de eerste verweerster) had verworven, was een perceel met gebouwen, en niet een onbebouwd perceel. (De eiser) stelt dat alleen de grond wordt getroffen door een bouwverbod en dat gebouwen in stand mogen worden gehouden; indien dat een verwijzing is naar artikel 52, § 1, derde lid, Wet op het natuurbehoud (dat luidt: Het bouwverbod geldt niet voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In de beschermde duingebieden en in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden geldt het bouwverbod niet voor werken noodzakelijk voor een efficiënt natuurbeheer, natuurherstel, natuurontwikkeling, kustverdediging en voor slopingswerken van woningen of gebouwen) dan is dat onterecht, nu dat pas bij decreet van 21 oktober 1997 werd ingevoegd. Overigens laat die bepaling ook geen instandhoudingswerken toe in het duinengebied.

      (De eerste verweerster) heeft de opstallen verworven onder het regime van de btw. Wat dat betreft moet dus overeenkomstig artikel 1, § 1, van het Besluit van 8 oktober 1996, bij gebrek aan grond van heffing van registratierechten, de verkoopwaarde in aanmerking genomen worden.

      (De eerste verweerster) komt overeenkomstig het bovenstaande tot een waarde bij verwerving van 190.000.000 BEF, of, geactualiseerd door middel van de index van de consumptieprijzen, 227.977.280 BEF. (De eiser) betwist deze berekening op zich niet.

      4.2.2. De kosten van verwerving en de uitgaven met het oog op de realisatie van de bestemming

      Artikel 2, tweede lid, Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uit-voering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud bepaalt dat de geactualiseerde waarde van het goed bij verwerving wordt ‘verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'.

      In overeenstemming met het bovenstaande onder 4.1.1 moeten al de kosten en erelonen met betrekking tot de akten van aankoop aangerekend worden, zonder daarbij een proportioneel gedeelte voor de verwerving van de gebouwen af te trekken. Overigens, zelfs indien de gebouwen niet werden meegerekend in de waarde bij verwerving, dan hadden deze kosten ook moeten aangerekend worden: om de gronden te verwerven heeft (de eerste verweerster) immers de facto ook kosten moeten maken voor de gebouwen die er nu eenmaal op stonden. De registratierechten, erelonen en kosten bedroegen naar opgave van (de eerste verweerster), die niet wordt betwist, 1.116.975 BEF, 7.310.345 BEF en 195.324 BEF, of samen 8.622.644 BEF.

      ...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT