Arrest nr. 106273 van Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen - IIde Kamer, 3 juli 2013

Spreker:M. Ekka
Datum uitspraak: 3 juli 2013
Uitgevende instantie::Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen - IIde Kamer
Land:Syrië
 
GRATIS UITTREKSEL
nr. 106 273 van 3 juli 201 in de zaak RvV X / II In zake: X Gekozen woonplaats: XX tegen: de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel e Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. DE WND. VOORZITTER VAN DE IIde KAMER, Gezien het verzoekschrift dat X en X, handelend in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelij vertegenwoordigers van hun minderjarig kind X, en X, die allen verklaren van Syrische nationaliteit t zijn, op 28 maart 2013 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en d nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asie en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding van 14 maart 2013 tot weigering va verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlagen 26 quater). Gezien titel Ibis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 198 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering va vreemdelingen. Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier. Gelet op de beschikking van 5 juni 2013, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 juni 2013. Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken M. EKKA. Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN GAAL, die ter terechtzitting de eerste verzoekend partij vertegenwoordigt en de overige verzoekende partijen bijstaat, en van advocaat S. MATROYE, di loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij. WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST: 1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak 1.1. Verzoekers dienden op 19 november 2012 een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Zi waren in het bezit van een Syrisch paspoort voorzien van een Italiaans visum. 1.2. Op 20 december 2012 werd aan de Italiaanse autoriteiten gevraagd verzoekers over te nemen o grond van artikel 9.2. van de verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 to vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor d behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstate wordt ingediend (hierna: de Dublin II-verordening). RvV X - Pagina 1 van 19 1.3. Aangezien niet binnen de gestelde termijnen geantwoord werd op het in punt 1.2. vermelde ver-zoek, werd Italië op grond van een 'tacit agreement' verantwoordelijk geacht voor verzoekers overname,gelet op artikel 18.7 van de Dublin II-verordening. Dit werd kenbaar gemaakt aan de Italiaans autoriteiten op 21 februari 2013. 1.4 Op 14 maart 2013 neemt de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie,Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding drie beslissingen tot weigering van verblijf met beve om het grondgebied te verlaten (bijlagen 26quater). Zij vormen de bestreden beslissingen, di gemotiveerd zijn als volgt: - t.a.v. eerste verzoekende partij: "België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan Italië (1) toekomt, me toepassing van artikel 9.2 en artikel 18.7 van de Verordening van de Raad (EG) Nr. 343/2003 va 18/02/2003. Betrokkene vroeg op 19/11/2012 het statuut van vluchteling aan bij de bevoegde Belgische autoriteiten.Betrokkene verklaart tijdens zijn verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken van 22/11/2012 dat hij o 13/11/2012 Syrië heeft verlaten per vliegtuig en met transit in de Verenigde Arabische Emiraten naa Italië is gereisd. Betrokkene verklaart dat hij op 14/12/2012 in Italië is aangekomen en dezelfde dag no per trein is vertrokken en via Frankrijk naar België reisde waar hij op 15/11/2012 zou zijn aangekomen.Betrokkene verklaarde dat hij legaal reisde met zijn paspoort met Italiaans visum bekomen via d smokkelaar. Betrokkene legt zijn paspoort (006367090) voor met schengenvisum (020963795 geldi tussen 04/10/2012 tot 04/04/2013 voor een periode van 30 dagen) afgeleverd door de Italiaans ambassade te Beiroet. De binnenkomststempel toont aan dat betrokkene op 14/11/2012 in Milaan i aangekomen. Betrokkene reisde samen met zijn vrouw [...] en hun twee kinderen [...] Gelet op bovenstaande gegevens werd op 20/12/2012 een overnameverzoek op basis van art 9.2 va de Verordening van de Raad (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/2003 verstuurd aan de Italiaans autoriteiten. Aangezien de Belgische autoriteiten op 20/02/2013 nog geen antwoord hadden ontvange van Italië stond dit, overeenkomstig artikel 18.7 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/200 (Dublin II Verordening), gelijk met de aanvaarding van het terugnameverzoek. Italië werd hierdoor o 21/02/2013 de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag van betrokkene. Di hield tevens de verplichting in om betrokkene over te nemen en zijn asielaanvraag te behandelen. W hebben dit aan de Italiaanse autoriteiten laten weten met een Tacit Agreement van 21/02/2013.Gevraagd naar redenen waarom betrokkene precies in België zijn asielaanvraag wou indienen (vraag
38) stelt betrokkene dat hij van België houdt en dat België de mensenrechten respecteert. Betrokken verklaart verder nog dat hij reeds eerder naar België, Frankrijk, Canada en Amerika kwam. Hij stelt no dat zijn doopkind (zoon van zijn schoonzus) ook in België verblijft. Er werd betrokkene eveneen gevraagd naar redenen met betrekking tot omstandigheden van opvang of van behandeling die ee verzet tegen een overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat zouden kunnen rechtvaardigen (vraag
40). Betrokkene stelt dat hij niet naar Italië wil worden teruggestuurd. Hij stelt dat hij de visa via ee smokkelaar heeft verkregen. De Belgische asielinstantie kan onder geen enkel beding voldoen aan d wil van betrokkene om zijn asielaanvraag in België te behandelen gezien dit zou neerkomen op he ontkennen van het objectief dat Europa voor ogen heeft in zijn Verordening waarbij de criteria en d mechanismen worden vastgelegd om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandelin van een asielaanvraag en om een vrije keuze van de asielzoeker uit te sluiten. De loutere persoonlijk appreciatie van een Lidstaat door de betrokkene kan dan ook geen grond kan zijn voor de toepassin van de soevereiniteitsclausule van Verordening 343/2003. In een schrijven gericht aan onze diensten op 04/01/2013 vraag Meester Van Gaal, in de hoedanighei van raadsman van de familie [S.] om de asielaanvraag in België te behandelen door toepassing van art
3.2 (soevereiniteitsclausule) van de Dublin II Verordening. Vooreerst wordt verwezen naar de aanwezigheid van familieleden in België. De zus van [L.H.] [...] verblijft in België met haar gezin. Zij heeft d Belgische nationaliteit en verblijft reeds sinds 2003 in België, bijgevolg reeds geruime tijd gescheide van haar zus. Een andere zus van [L.H.] [...] verblijft eveneens in België. Haar asielprocedure i momenteel nog in behandeling en het onderzoek naar de verantwoordelijke lidstaat is nog lopend.Bovendien maakt betrokkene geen deel uit van het gezin van de in België verblijvende familie volgen art 2.i van de Verordening. Een behandeling van de asielaanvraag van betrokkene in België op basi van art 7, 8 of 15 is niet aan de orde. Verder verwijst Meester Van Gaal naar de volgens haar bijzonder precaire omstandigheden voo asielzoekers in Italië. Zij verwijst hierbij naar meerdere rapporten die tekortkomingen in het Italiaans asielsysteem en voornamelijk in de opvang zouden aantonen waarbij eveneens gewezen wordt op d immense toestroom van asielzoekers in Italië na de politieke gebeurtenissen die plaatsgrepen in Noord- RvV X - Pagina 2 van 19 Afrika. Meester Van Gaal vreest dat de fysieke integriteit van haar cliënten niet kan gegarandeer worden. We merken op dat elke Lidstaat is gehouden te onderzoeken of een overdracht aan een ander Lidstaat zou kunnen leiden tot een reëel gevaar op blootstelling aan omstandigheden die in strijd zij met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).Hieromtrent wijzen we er op dat het aan de betrokkene toekomt om op grond van concrete, op haa individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat ze bij een overdrach aan Italië een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan omstandigheden die een schending zoude kunnen zijn van artikel 3 van het EVRM. Er kan op basis van de door betrokkene aangehaald verklaringen en elementen geen intentionele bedreiging, uitgaande van de Italiaanse autoriteiten, op zij leven, vrijheid of fysieke integriteit worden vastgesteld. Het is aan betrokkene om aannemelijk te make dat er zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan het vermoeden va eerbiediging door de verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en art. 3 van het EVRM worde weerlegd. Hiervan is sprake als de asielzoeker aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van d verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld o er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of van art. 3 van het EVRM, hetgeen hie niet het geval is. Betrokkene reisde met zijn paspoort naar Italië en vertrok er nog dezelfde dag.Betrokkene vroeg er geen asiel aan. Eventuele vrees voor een schending van art 3 EVRM is derhalv niet gestoeld op de persoonlijke ervaringen van betrokkene. Daar waar Meester Van Gaal verwijst naar verslagen en rapporten uit 2008, 2009 en 2010 merken w op dat deze niet recent zijn en bijgevolg niet meer als relevant beschouwd kunnen worden. Betreffend de meer recente rapporten merken we het volgende op. Uit vermelde recente rapporten (Norwegia Organisation for Asylum Seekers (NOAS), "The Italian approach to asylum: System and core problems",Oslo, april 2011 & Schweizerische Flüchtelingshilfe/OSAR, "Asylum procedure and reception condition in Italy - Report on the situatie of asylum seekers, refugees, and persons under subsidiary o humanitarian protection, with focus on Dublin returnees", Bern mei 2011), kan worden besloten da vreemdelingen die in het kader van de Verordening 343/2003 worden overgedragen aan de bevoegd Italiaanse instanties worden geholpen om in contact te treden met de verantwoordelijke autoriteiten e dat zij in beginsel de mogelijkheid hebben om een eerder aangevangen asielprocedure te hervatten o een nieuwe op te starten. Een kopie van beide rapporten werd in bijlage toegevoegd aan he administratief dossier van de betrokkene. Op basis van deze informatie kan worden besloten dat ook de betrokkene na overdracht zal worde verwezen naar de bevoegde instanties. Het rapport van NOAS meldt dat voor vreemdelingen, die i kader van Verordening 343/2003 aan Italië worden overgedragen, in de meeste gevallen opvang ka worden gevonden in CARA-centra in Rome en Milaan (p.20). Dat Italië een uitzonderlijke toestroom va immigranten kende door de politieke gebeurtenissen in Noord-Afrika impliceert op zich geenszins dat d betrokkene zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling en/of dat zij asielaanvraag niet met de nodige aandacht en objectiviteit zal worden behandeld. De betrokkene breng geen enkel element aan waaruit dient te worden besloten dat Italië momenteel de asielaanvragen va vreemdelingen die in toepassing van Verordening 343/2003 van een andere Lidstaat worden terug- o overgenomen niet met de nodige zorg en conform de ter zake geldende internationale regelgeving zo onderzoeken. We merken verder op dat Italië de Conventie van Genève van 1951 ondertekende en partij is bij he Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het is als lidstaat van d Europese Unie gebonden door dezelfde internationale verdragen als België. Er moet dan ook va worden uitgegaan dat Italië het beginsel van non-refoulement alsmede de andere verdragsverplichtingen voortkomende uit de Conventie van Genève en het EVRM nakomt. De lidstaten hebben i de preambule van het Europese Unie- Verdrag onderschreven de rechten van de mens te respectere en tevens partij te zijn bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Betrokkene zal in d mogelijkheid gesteld worden een asielaanvraag in te dienen. Italië onderwerpt asielaanvragen, net al België en de andere Lidstaten, aan een individueel onderzoek en kent de vluchtelingenstatus of d subsidiaire bescherming toe aan personen, die voldoen aan de in de regelgeving voorzien voorwaarden. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat betrokkene voor de behandeling van zij asielaanvraag meer garanties in België dan in Italië zou genieten. Betrokkene kan niet aannemelij maken dat de Italiaanse autoriteiten de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 to vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten niet zou respecteren.De Italiaanse autoriteiten hebben de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzak minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling o als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van deze bescherming e de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimum normen voor d procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in hun nationaa recht omgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat dit niet correct is gebeurd. Er is op dit moment geen goede RvV X - Pagina 3 van 19 grond aanwezig om afstand te doen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië e de uitvoering van de Dublin II Verordening. Italië kent onafhankelijke beroepsinstanties voor beslissingen inzake detentie en verwijdering. Verde kunnen - indien nodig- voorlopige maatregelen worden gevraagd met toepassing van artikel 39 van he procedurereglement van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Betrokkene slaagt e niet in aannemelijk te maken dat er een reëel risico bestaat dat Italië hem zal repatriëren, indien niet,dan wel niet afdoende, is vastgesteld of hij bescherming behoeft en dat hij als dusdanig zal blootgestel worden aan een behandeling die strijdig is met art. 3 EVRM. Een terugkeer naar Italië kan door onz diensten georganiseerd worden. De Italiaanse autoriteiten zullen bovendien (indien betrokkene wens gebruik te maken van deze mogelijkheid) tenminste zeven dagen op voorhand in kennis gesteld worde van de overdracht van betrokkene zodat aangepaste opvang kan voorzien worden. Betrokkene verklaar in goede gezondheid te zijn. Gelet op al deze elementen, is er derhalve geen concrete basis om de asielaanvraag van betrokkene i België te behandelen op grond van art. 3§2 of art. 15 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 va 18/02/2003. Bijgevolg is België niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aa de Italiaanse autoriteiten toekomt, met de toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 198 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering va vreemdelingen en van art. 9.2 en art. 18.7 van de Verordening van de Raad (EG) nr. 343/2003 van 1 februari 2003 en moet betrokkene het grondgebied van het Rijk binnen de zeven (7) verlaten. Hij dien zich aan te bieden bij de bevoegde Italiaanse autoriteiten. (...)". - t.a.v. tweede verzoekende partij: "België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan Italië (1) toekomt, me toepassing van artikel 9.2 en artikel 18.7 van de Verordening van de Raad (EG) Nr. 343/2003 va 18/02/2003. Betrokkene vroeg op 19/11/2012 het statuut van vluchteling aan bij de bevoegde Belgische autoriteiten.Betrokkene verklaart tijdens haar verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken van 22/11/2012 dat zij o 13/11/2012 Syrië heeft verlaten per vliegtuig en met transit in de Verenigde Arabische Emiraten naa Italië is gereisd. Betrokkene verklaart dat hij op 14/12/2012 in Italië is aangekomen en dezelfde dag no per trein is vertrokken en via Frankrijk naar België reisde waar zij op 15/11/2012 zou zijn aangekomen.Betrokkene verklaarde dat zij legaal reisde met haar paspoort met Italiaans visum bekomen via d smokkelaar. Betrokkene legt haar paspoort (006367093) voor met schengenvisum (020963796 geldi tussen 04/10/2012 tot 04/04/2013 voor een periode van 30 dagen) afgeleverd door de Italiaans ambassade te Beiroet. De binnenkomststempel toont aan dat betrokkene op 14/11/2012 in Milaan i aangekomen. Betrokkene reisde samen met haar man [...] en hun twee kinderen [...]. Gelet op bovenstaande gegevens werd op 20/12/2012 een overnameverzoek op basis van art 9.2 va de Verordening van de Raad (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/2003 verstuurd aan de Italiaans autoriteiten. Aangezien de Belgische autoriteiten op 20/02/2013 nog geen antwoord hadden ontvange van Italië stond dit, overeenkomstig artikel 18.7 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/200 (Dublin II Verordening), gelijk met de aanvaarding van het terugnameverzoek. Italië werd hierdoor o 21/02/2013 de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag van betrokkene e diens minderjarige dochter Sarkis Joud. Dit hield tevens de verplichting in om betrokkene over te neme en de asielaanvraag te behandelen. We hebben dit aan de Italiaanse autoriteiten laten weten met ee Tacit Agreement van 21/02/2013. Gevraagd naar redenen waarom betrokkene precies in België haar asielaanvraag wou indienen (vraag
38) stelt betrokkene dat ze van België houdt en hier reeds eerder was. Ze zou graag hebben dat ze haa twee dochters hier samen met de familie kunnen opgroeien. Zij stelt nog dat haar doopkind (zoon va haar zus) ook in België verblijft en dat haar zus die in België woont doopmeter is van haar dochter. E werd betrokkene eveneens gevraagd naar redenen met betrekking tot omstandigheden van opvang o van behandeling die een verzet tegen een overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat zouden kunne rechtvaardigen (vraag 40). Betrokkene stelt dat ze geen vertrouwen heeft in Italië en er geen famili heeft. Ze stelt nog dat ze een basis heeft van de Franse taal. De Belgische asielinstantie kan onde geen enkel beding voldoen aan de wil van betrokkene om haar asielaanvraag in België te behandele gezien dit zou neerkomen op het ontkennen van het objectief dat Europa voor ogen heeft in zij Verordening waarbij de criteria en de mechanismen worden vastgelegd om te bepalen welke lidstaa verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag en om een vrije keuze van d asielzoeker uit te sluiten. De loutere persoonlijke appreciatie van een Lidstaat door de betrokkene ka dan ook geen grond kan zijn voor de toepassing van de soevereiniteitsclausule van Verordenin 343/2003. RvV X - Pagina 4 van 19 In een schrijven gericht aan onze diensten op 04/01/2013 vraag Meester Van Gaal, in de hoedanighei van raadsman van de familie [S.] om de asielaanvraag in België te behandelen door toepassing van art
3.2 (soevereiniteitsclausule) van de Dublin II Verordening. Vooreerst wordt verwezen naar d aanwezigheid van de familieleden in België. De zus van betrokkene (L.K., [...]) verblijft in België me haar gezin. Zij heeft de Belgische nationaliteit en verblijft reeds sinds 2003 in België, bijgevolg reed geruime tijd gescheiden van haar zus. Een andere zus (L.N. [...]) verblijft eveneens in België. Haa asielprocedure is momenteel nog in behandeling en het onderzoek naar de verantwoordelijke lidstaat i nog lopend. Betrokkene zelf verklaart dat haar oom en twee neven eveneens in België verblijven.Betrokkene maakt geen deel uit van het gezin van de in België verblijvende familie volgens art 2.i va de Verordening. Een behandeling van de asielaanvraag van betrokkene in België op basis van art 7, of 15 is niet aan de orde. Verder verwijst Meester Van Gaal naar de volgens haar bijzonder precaire omstandigheden voo asielzoekers in Italië. Zij verwijst hierbij naar meerdere rapporten die tekortkomingen in het Italiaans asielsysteem en voornamelijk in de opvang zouden aantonen waarbij eveneens gewezen wordt op d immense toestroom van asielzoekers in Italië na de politieke gebeurtenissen die plaatsgrepen in NoordAfrika. Meester Van Gaal vreest dat de fysieke integriteit van haar cliënten niet kan gegarandeer worden. We merken op dat elke Lidstaat is gehouden te onderzoeken of een overdracht aan een ander Lidstaat zou kunnen leiden tot een reëel gevaar op blootstelling aan omstandigheden die in strijd zij met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).Hieromtrent wijzen we er op dat het aan de betrokkene toekomt om op grond van concrete, op haa individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat ze bij een overdrach aan Italië een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan omstandigheden die een schending zoude kunnen zijn van artikel 3 van het EVRM. Er kan op basis van de door betrokkene aangehaald verklaringen en elementen geen intentionele bedreiging, uitgaande van de Italiaanse autoriteiten, op zij leven, vrijheid of fysieke integriteit worden vastgesteld. Het is aan betrokkene om aannemelijk te make dat er zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan het vermoeden va eerbiediging door de verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en art. 3 van het EVRM worde weerlegd. Hiervan is sprake als de asielzoeker aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van d verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld o er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of van art. 3 van het EVRM, hetgeen hie niet het geval is. Betrokkene reisde met haar paspoort naar Italië en vertrok er nog dezelfde dag.Betrokkene vroeg er geen asiel aan. Eventuele vrees voor een schending van art 3 EVRM is derhalv niet gestoeld op de persoonlijke ervaringen van betrokkene. Daar waar Meester Van Gaal verwijst naar verslagen en rapporten uit 2008, 2009 en 2010 merken w op dat deze niet recent zijn en bijgevolg niet meer als relevant beschouwd kunnen worden. Betreffend de meer recente rapporten merken we het volgende op. Uit vermelde recente rapporten (Norwegia Organisation for Asylum Seekers (NOAS), "The Italian approach to asylum: System and core problems",Oslo, april 2011 & Schweizerische Flüchtelingshilfe/OSAR, "Asylum procedure and reception condition in Italy - Report on the situatie of asylum seekers, refugees, and persons under subsidiary o humanitarian protection, with focus on Dublin returnees", Bern mei 2011), kan worden besloten da vreemdelingen die in het kader van de Verordening 343/2003 worden overgedragen aan de bevoegd Italiaanse instanties worden geholpen om in contact te treden met de verantwoordelijke autoriteiten e dat zij in beginsel de mogelijkheid hebben om een eerder aangevangen asielprocedure te hervatten o een nieuwe op te starten. Een kopie van beide rapporten werd in bijlage toegevoegd aan he administratief dossier van de betrokkene. Op basis van deze informatie kan worden besloten dat ook de betrokkene na overdracht zal worde verwezen naar de bevoegde instanties. Het rapport van NOAS meldt dat voor vreemdelingen, die i kader van Verordening 343/2003 aan Italië worden overgedragen, in de meeste gevallen opvang ka worden gevonden in CARA-centra in Rome en Milaan (p.20). Dat Italië een uitzonderlijke toestroom va immigranten kende door de politieke gebeurtenissen in Noord-Afrika impliceert op zich geenszins dat d betrokkene zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling en/of dat zij asielaanvraag niet met de nodige aandacht en objectiviteit zal worden behandeld. De betrokkene breng geen enkel element aan waaruit dient te worden besloten dat Italië momenteel de asielaanvragen va vreemdelingen die in toepassing van Verordening 343/2003 van een andere Lidstaat worden terug- o overgenomen niet met de nodige zorg en conform de ter zake geldende internationale regelgeving zo onderzoeken. We merken verder op dat Italië de Conventie van Genève van 1951 ondertekende en partij is bij he Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het is als lidstaat van d Europese Unie gebonden door dezelfde internationale verdragen als België. Er moet dan ook va worden uitgegaan dat Italië het beginsel van non-refoulement alsmede de andere verdragsverplichtingen voortkomende uit de Conventie van Genève en het EVRM nakomt. De lidstaten hebben in RvV X - Pagina 5 van 19 de preambule van het Europese Unie- Verdrag onderschreven de rechten van de mens te respectere en tevens partij te zijn bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Betrokkene zal in d mogelijkheid gesteld worden een asielaanvraag in te dienen. Italië onderwerpt asielaanvragen, net al België en de andere Lidstaten, aan een individueel onderzoek en kent de vluchtelingenstatus of d subsidiaire bescherming toe aan personen, die voldoen aan de in de regelgeving voorzien voorwaarden. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat betrokkene voor de behandeling van zij asielaanvraag meer garanties in België dan in Italië zou genieten. Betrokkene kan niet aannemelij maken dat de Italiaanse autoriteiten de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 to vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten niet zou respecteren.De Italiaanse autoriteiten hebben de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzak minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling o als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van deze bescherming e de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimum normen voor d procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in hun nationaa recht omgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat dit niet correct is gebeurd. Er is op dit moment geen goed grond aanwezig om afstand te doen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië e de uitvoering van de Dublin II Verordening. Italië kent onafhankelijke beroepsinstanties voor beslissingen inzake detentie en verwijdering. Verde kunnen - indien nodig- voorlopige maatregelen worden gevraagd met toepassing van artikel 39 van he procedurereglement van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Betrokkene slaagt e niet in aannemelijk te maken dat er een reëel risico bestaat dat Italië hem zal repatriëren, indien niet,dan wel niet afdoende, is vastgesteld of hij bescherming behoeft en dat hij als dusdanig zal blootgestel worden aan een behandeling die strijdig is met art. 3 EVRM. Een terugkeer naar Italië kan door onz diensten georganiseerd worden. De Italiaanse autoriteiten zullen bovendien (indien betrokkene wens gebruik te maken van deze mogelijkheid) tenminste zeven dagen op voorhand in kennis gesteld worde van de overdracht van betrokkene zodat aangepaste opvang kan voorzien worden. Betrokkene verklaar in goede gezondheid te zijn. Gelet op al deze elementen, is er derhalve geen concrete basis om de asielaanvraag van betrokkene i België te behandelen op grond van art. 3§2 of art. 15 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 va 18/02/2003. Bijgevolg is België niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aa de Italiaanse autoriteiten toekomt, met de toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 198 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering va vreemdelingen en van art. 9.2 en art. 18.7 van de Verordening van de Raad (EG) nr. 343/2003 van 1 februari 2003 en moet betrokkene het grondgebied van het Rijk binnen de zeven (7) verlaten. Zij dien zich aan te bieden bij de bevoegde Italiaanse autoriteiten. (...)". - t.a.v. derde verzoekende partij: "Betrokkene vroeg op 19/11/2012 het statuut van vluchteling aan bij de bevoegde Belgische autoriteiten.Betrokkene verklaart tijdens haar verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken van 22/11/2012 dat zij o 13/11/2012 Syrië heeft verlaten per vliegtuig en met transit in de Verenigde Arabische Emiraten naa Italië is gereisd. Betrokkene verklaart dat hij op 14/12/2012 in Italië is aangekomen en dezelfde dag no per trein is vertrokken en via Frankrijk naar België reisde waar zij op 15/11/2012 zou zijn aangekomen.Betrokkene verklaarde dat zij legaal reisde met haar paspoort met Italiaans visum. Betrokkene legt haa paspoort (006367092) voor met schengenvisum (020963797 geldig tussen 04/10/2012 tot 04/04/201 voor een periode van 30 dagen) afgeleverd door de Italiaanse ambassade te Beiroet. D binnenkomststempel toont aan dat betrokkene op 14/11/2012 in Milaan is aangekomen. Betrokken reisde samen met haar ouders [...] en haar zus [...]. Gelet op bovenstaande gegevens werd op 20/12/2012 een overnameverzoek op basis van art 9.2 va de Verordening van de Raad (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/2003 verstuurd aan de Italiaans autoriteiten. Aangezien de Belgische autoriteiten op 20/02/2013 nog geen antwoord hadden ontvange van Italië stond dit, overeenkomstig artikel 18.7 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 van 18/02/200 (Dublin II Verordening), gelijk met de aanvaarding van het terugnameverzoek. Italië werd hierdoor o 21/02/2013 de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag van betrokkene. Di hield tevens de verplichting in om betrokkene over te nemen en de asielaanvraag te behandelen. W hebben dit aan de Italiaanse autoriteiten laten weten met een Tacit Agreement van 21/02/2013.Gevraagd naar redenen waarom betrokkene precies in België haar asielaanvraag wou indienen (vraag
38) stelt betrokkene dat haar ouders hier al eerder zijn geweest. Ze verklaart dat ze hier familie hebbe en graag bij hen zouden zijn. Er werd betrokkene eveneens gevraagd naar redenen met betrekking to omstandigheden van opvang of van behandeling die een verzet tegen een overdracht naar d verantwoordelijke lidstaat zouden kunnen rechtvaardigen (vraag 40). Betrokkene stelt dat ze in Italië RvV X - Pagina 6 van 19 geen familie heeft. Ze stelt nog dat ze een basis heeft van de Franse taal en het beter zou zijn om hie school te kunnen lopen. De Belgische asielinstantie kan onder geen enkel beding voldoen aan de wi van betrokkene om haar asielaanvraag in België te behandelen gezien dit zou neerkomen op he ontkennen van het objectief dat Europa voor ogen heeft in zijn Verordening waarbij de criteria en d mechanismen worden vastgelegd om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandelin van een asielaanvraag en om een vrije keuze van de asielzoeker uit te sluiten. De loutere persoonlijk appreciatie van een Lidstaat door de betrokkene kan dan ook geen grond kan zijn voor de toepassin van de soevereiniteitsclausule van Verordening 343/2003. In een schrijven gericht aan onze diensten op 04/01/2013 vraag Meester Van Gaal, in de hoedanighei van raadsman van de familie [S.] om de asielaanvraag in België te behandelen door toepassing van art
3.2 (soevereiniteitsclausule) van de Dublin II Verordening. Vooreerst wordt verwezen naar d aanwezigheid van de familieleden in België. De tante van betrokkene (L.K., [...]) verblijft in België me haar gezin. Zij heeft de Belgische nationaliteit en verblijft reeds sinds 2003 in België, bijgevolg reed geruime tijd gescheiden van de familie van betrokkene. Een andere tante (L.N. [...]) verblijft eveneens i België. Haar asielprocedure is momenteel nog in behandeling en het onderzoek naar d verantwoordelijke lidstaat is nog lopend. Betrokkene zelf verklaart dat haar grootoom, twee achterneve en een achternicht ook in België verblijven. Betrokkene maakt geen deel uit van het gezin van de i België verblijvende familie volgens art 2.i van de Verordening. Een behandeling van de asielaanvraa van betrokkene in België op basis van art 7, 8 of 15 is niet aan de orde. Voor de ouders van betrokken en haar zus is Italië eveneens de verantwoordelijke lidstaat. Verder verwijst Meester Van Gaal naar de volgens haar bijzonder precaire omstandigheden voo asielzoekers in Italië. Zij verwijst hierbij naar meerdere rapporten die tekortkomingen in het Italiaans asielsysteem en voornamelijk in de opvang zouden aantonen waarbij eveneens gewezen wordt op d immense toestroom van asielzoekers in Italië na de politieke gebeurtenissen die plaatsgrepen in NoordAfrika. Meester Van Gaal vreest dat de fysieke integriteit van haar cliënten niet kan gegarandeer worden. We merken op dat elke Lidstaat is gehouden te onderzoeken of een overdracht aan een ander Lidstaat zou kunnen leiden tot een reëel gevaar op blootstelling aan omstandigheden die in strijd zij met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).Hieromtrent wijzen we er op dat het aan de betrokkene toekomt om op grond van concrete, op haa individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat ze bij een overdrach aan Italië een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan omstandigheden die een schending zoude kunnen zijn van artikel 3 van het EVRM. Er kan op basis van de door betrokkene aangehaald verklaringen en elementen geen intentionele bedreiging, uitgaande van de Italiaanse autoriteiten, o haar leven, vrijheid of fysieke integriteit worden vastgesteld. Het is aan betrokkene om aannemelijk t maken dat er zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan het vermoede van eerbiediging door de verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en art. 3 van het EVRM worde weerlegd. Hiervan is sprake als de asielzoeker aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van d verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld o er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of van art. 3 van het EVRM, hetgeen hie niet het geval is. Betrokkene reisde met haar paspoort naar Italië en vertrok er nog dezelfde dag.Betrokkene vroeg er geen asiel aan. Eventuele vrees voor een schending van art 3 EVRM is derhalv niet gestoeld op de persoonlijke ervaringen van betrokkene. Daar waar Meester Van Gaal verwijst naar verslagen en rapporten uit 2008, 2009 en 2010 merken w op dat deze niet recent zijn en bijgevolg niet meer als relevant beschouwd kunnen worden. Betreffend de meer recente rapporten merken we het volgende op. Uit vermelde recente rapporten (Norwegia Organisation for Asylum Seekers (NOAS), "The Italian approach to asylum: System and core problems",Oslo, april 2011 & Schweizerische Fiüchtelingshilfe/OSAR, "Asylum procedure and reception condition in Italy - Report on the situatie of asylum seekers, refugees, and persons under subsidiary o humanitarian protection, with focus on Dublin returnees", Bern mei 2011), kan worden besloten da vreemdelingen die in het kader van de Verordening 343/2003 worden overgedragen aan de bevoegd Italiaanse instanties worden geholpen om in contact te treden met de verantwoordelijke autoriteiten e dat zij in beginsel de mogelijkheid hebben om een eerder aangevangen asielprocedure te hervatten o een nieuwe op te starten. Een kopie van beide rapporten werd in bijlage toegevoegd aan he administratief dossier van de betrokkene. Op basis van deze informatie kan worden besloten dat ook de betrokkene na overdracht zal worde verwezen naar de bevoegde instanties. Het rapport van NOAS meldt dat voor vreemdelingen, die i kader van Verordening 343/2003 aan Italië worden overgedragen, in de meeste gevallen opvang ka worden gevonden in CARA-centra in Rome en Milaan (p.20). Dat Italië een uitzonderlijke toestroom va immigranten kende door de politieke gebeurtenissen in Noord-Afrika impliceert op zich geenszins dat d betrokkene zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling en/of dat zij asielaanvraag niet met de nodige aandacht en objectiviteit zal worden behandeld. De betrokkene brengt RvV X - Pagina 7 van 19 geen enkel element aan waaruit dient te worden besloten dat Italië momenteel de asielaanvragen va vreemdelingen die in toepassing van Verordening 343/2003 van een andere Lidstaat worden terug- o overgenomen niet met de nodige zorg en conform de ter zake geldende internationale regelgeving zo onderzoeken. We merken verder op dat Italië de Conventie van Genève van 1951 ondertekende en partij is bij he Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het is als lidstaat van d Europese Unie gebonden door dezelfde internationale verdragen als België. Er moet dan ook va worden uitgegaan dat Italië het beginsel van non-refoulement alsmede de andere verdragsverplichtingen voortkomende uit de Conventie van Genève en het EVRM nakomt. De lidstaten hebben i de preambule van het Europese Unie- Verdrag onderschreven de rechten van de mens te respectere en tevens partij te zijn bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Betrokkene zal in d mogelijkheid gesteld worden een asielaanvraag in te dienen. Italië onderwerpt asielaanvragen, net al België en de andere Lidstaten, aan een individueel onderzoek en kent de vluchtelingenstatus of d subsidiaire bescherming toe aan personen, die voldoen aan de in de regelgeving voorzien voorwaarden. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat betrokkene voor de behandeling van zij asielaanvraag meer garanties in België dan in Italië zou genieten. Betrokkene kan niet aannemelij maken dat de Italiaanse autoriteiten de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 to vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten niet zou respecteren.De Italiaanse autoriteiten hebben de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzak minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling o als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van deze bescherming e de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimum normen voor d procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in hun nationaa recht omgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat dit niet correct is gebeurd. Er is op dit moment geen goed grond aanwezig om afstand te doen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië e de uitvoering van de Dublin II Verordening. Italië kent onafhankelijke beroepsinstanties voo beslissingen inzake detentie en verwijdering. Verder kunnen - indien nodig- voorlopige maatregele worden gevraagd met toepassing van artikel 39 van het procedurereglement van het Europees Hof voo de Rechten van de Mens (EHRM). Betrokkene slaagt er niet in aannemelijk te maken dat er een reëe risico bestaat dat Italië haar zal repatriëren, indien niet, dan wel niet afdoende, is vastgesteld of zi bescherming behoeft en dat zij als dusdanig zal blootgesteld worden aan een behandeling die strijdig i met art. 3 EVRM. Een terugkeer naar Italië kan door onze diensten georganiseerd worden. De Italiaans autoriteiten zullen bovendien (indien betrokkene wenst gebruik te maken van deze mogelijkheid)tenminste zeven dagen op voorhand in kennis gesteld worden van de overdracht van betrokkene zoda aangepaste opvang kan voorzien worden. Betrokkene verklaart in goede gezondheid te zijn. Gelet op al deze elementen, is er derhalve geen concrete basis om de asielaanvraag van betrokkene i België te behandelen op grond van art. 3§2 of art. 15 van Verordening (EG) Nr. 343/2003 va 18/02/2003. Bijgevolg is België niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aa de Italiaanse autoriteiten toekomt, met de toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 198 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering va vreemdelingen en van art. 9.2 en art. 18.7 van de Verordening van de Raad (EG) nr. 343/2003 van 1 februari 2003 en moet betrokkene het grondgebied van het Rijk binnen de zeven (7) verlaten. Zij dien zich aan te bieden bij de bevoegde Italiaanse autoriteiten. (...)". 2. Onderzoek van het beroep Uit de bespreking van onderstaand middel blijkt dat slechts korte debatten vereist zijn.
2.1. In wat als een enig middel kan beschouwd worden, werpen verzoekers de schending op van artikel
3 EVRM. Verzoekers betogen als volgt: "De bestreden beslissing baseert zich op het feit dat Italie het Vluchtelingenverdrag en het EVRM heef ondertekend en dat Italie bijgevolg het non refoulement beginsel zal nakomen. Zelfs de massal toestroom van asielaanvragers en andere al dan niet economische vluchtelingen betekent volgens d Dienst Vreemdelingenzaken niet automatisch dat Verzoekster zal worden blootgesteld aan ee onmenselijke of vernederende behandeling en/of dat haar asielaanvraag niet met de nodige aandach en objectiviteit zal worden behandeld. Artikel 3 EVRM bepaalt dat "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke o vernederende behandelingen of straffen.". Deze rechtsregel is absoluut en houdt derhalve tevens het RvV X - Pagina 8 van 19 verbod in om iemand te verwijderen naar een land waar er een reëel risico op onterende behandelin bestaat. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschouwt het non refoulement beginsel al inherent aan artikel 3 EVRM. Indien een staat een bevel om het grondgebied te verlaten wil late uitvoeren, kan er met andere woorden een probleem ontstaan als er redenen bestaan dat de persoo aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zal worden onderworpen. Volgens het EHRM dienen Verzoekers met betrekking tot de bewijslast van artikel 3 EVRM substantiel gronden voor te leggen die aantonen dat zij bij haar terugkeer gevaar loopt om onderworpen te worde aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Rapporten van bepaalde niet gouvernementel organisaties kunnen een begin van bewijs vormen. Volgens het Hof moet het bewijs als volgt worden bijgebracht: "dans les affaires ou un requerant allegu faire partie d un groupe systematiquement expose a une pratique de mauvais traitements, la Cou considere que la protection de I'article 3 de la Convention entre en jeu lorsque^ Hnteresse demontre,eventuellement a i'aide des sources mentionnees au paragraphe precedent, qui I y a des motifs serieu et a veres de croire a /'existence de la pratique en question et a son appartenance au groupe vise".Volgens een recent arrest van het Hof van Justitie, zijn de Europese lidstaten duidelijk verplicht onde EU-recht om de mogelijke inbreuken van andere EU-landen in te schatten en ermee rekening te houde bij de toepassing van de Dublinverordening. Volgens het Hof, zijn lidstaten verplicht artikel 3.2 toe t passen in geval van "tekortkomingen in het systeem". De Belgische autoriteiten hebben dit ten onrecht niet gedaan. In de gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10, N. S. (C-411/10) tegen Secretary of State for the Hom Department en M. E. (C-493/10), A. S. M., M. T., K. P., E. H. tegen Refugee Applications Commissioner,Minister for Justice, Equality and Law Reform, Met het Hof het volgende gelden met betrekking tot he vermoeden van eerbiediging van de verdragsverplichtingen door andere lidstaten [...]:
"80 Bijgevolg moet worden aangenomen dat de behandeling van asielzoekers in elke Iid staat i overeenstemming is met de eisen van het Handvest, met het Verdrag van Geneve en met het EVRM.
81 Toch kan niet worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaald lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, zodat een ernstig risico bestaat dat asielzoekers, wanneer zi aan deze lidstaat worden overgedragen, worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt.82 Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat elke schending van een grondrecht door d verantwoordelijke lidstaat gevolgen heeft voor de verplichtingen van de overige lidstaten om verordenin nr. 343/2003 na te leven.
83 De bestaansreden van de Unie en de verwezenlijking van de ruimte van vrijheid, veiligheid e rechtvaardigheid en meer bepaald van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat berust o wederzijds vertrouwen en een vermoeden dat de overige lidstaten het Unierecht en meer in he bijzonder de grondrechten eerbiedigen, staan namelijk op het spel. Bovendien zou het niet i overeenstemming zijn met de doelstellingen en het systeem van verordening nr. 343/2003 indien d geringste schending van de richtlijnen 2003/9, 2004/83 of 2005/85 zou volstaan om de overdracht va een asielzoeker aan de normaal gesproken bevoegde lidstaat te verhinderen. Door het vermoeden t vestigen dat de grondrechten van de asielzoeker zullen worden geëerbiedigd in de Iidstaat die normaa gesproken bevoegd is om zijn asielverzoek te behandelen, beoogt verordening nr. 343/2003 namelij een duidelijke en hanteerbare methode in te voeren om snel te kunnen bepalen welke Iidstaat bevoeg is voor de behandeling van een asielverzoek, zoals uit met name de punten 124 en 125 van d conclusie in zaak C 411/10 blijkt. Daartoe voorziet verordening nr. 343/2003 in een regeling die inhoud dat slechts een Iidstaat, die op basis van objectieve criteria wordt aangewezen, bevoegd is om een i een Unieland ingediend asielverzoek te behandelen.
84 Indien iedere niet-naleving van afzonderlijke bepalingen van de richtlijnen 2003/9, 2004/83 o 2005/85 door de bevoegde Iidstaat tot gevolg zou hebben dat de Iidstaat waarin een asielverzoek word ingediendde asielzoeker niet aan die eerste staat kan overdragen, zou aan de in hoofdstuk III va verordening nr. 343/2003 neergelegde criteria om de bevoegde Iidstaat te bepalen, een extr uitsluitingscriterium worden toegevoegd, volgens hetwelk onbeduidende schendingen van voormeld richtlijnen in een bepaalde Iidstaat, ertoe kunnen leiden dat deze staat wordt ontslagen van de in dez verordening bepaalde verplichtingen. Dit zou die verplichtingen elke inhoud ontnemen en d verwezenIijking van het doe I, snel te bepalen welke Iidstaat bevoegd is om een in de Unie ingedien asielverzoek te behandelen, in gevaar brengen.
85 Ingeval ernstig moet worden gevreesd dat het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de verantwoordeliike Iidstaat tekort schieten. waardoor asielzoeker die aan deze Iidstaat worden overgedragen. er onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zi van artikel 4 van het Handvest, is deze overdracht
86 echter in strijd met die bepaling.
87 [...] RvV X - Pagina 9 van 19 88 Anders dan wordt betoogd door de Belgische, de Italiaanse en de Poolse regering, die van menin zijn dat de lidstaten niet over geschikte instrumenten beschikken om te beoordelen of d verantwoordelijke Iidstaat de grondrechten eerbiedigt en dus in te schatten welke risico's ee asielzoeker daadwerkelijk loopt indien hij aan deze Iidstaat wordt overgedragen, kunnen de lidstate dan ook op basis van informatie zoals die welke het Europees Hof voor de rechten van de men aanhaalt, de werking van het asielstelsel in de verantwoordelijke Iidstaat beoordelen. waardoor di risico's zullen kunnen worden ingeschat.
89 Er dient te worden gewezen op de relevantie van de door de Commissie opgestelde rapporten e voorstellen voor wijziging van verordening nr. 343/2003. De Iidstaat die de asielzoeker moe overdragen, heeft deelgenomen aan de werkzaamheden van de Raad van de Europese Unie, die ee van de geadresseerden van die rapporten en voorstellen is, en kan dus niet onkundig zijn van he bestaan ervan.
90 Bovendien bepaalt artikel 80 VWEU dat aan het asielbeleid en de uitvoering daarvan de beginsele van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financiee vlak, ten grondslag liggen. Richtlijn 2001/55 vormt een voorbeeld van die solidariteit, maar de daari vervatte solidariteitsmechanismen gelden, zoals ter terechtzitting is vermeld, enkel voor volkome uitzonderlijke situaties die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, te weten de massal toestroom van ontheemden.
91 Bijgevolg mogen de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties in situatie zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn een asielzoeker niet aan de "verantwoordelijk lidstaat" in de zin van verordening nr. 343/2003 overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn va het feit dat de tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voo asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat d asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin va artikel 4 van het Handvest, en dit opdat de Unie en haar lidstaten hun verplichtingen inzake d bescherming van de grondrechten van asielzoekers kunnen nakomen.
92 Het betreft hier een positieve verplichting. De Lidstaten moeten volgens het Hof informati verzamelen over de werking van het asielbeleid in andere Europese landen.
93 Uit de rechtspraak van het Hof kan afgeleid worden dat het vermoeden van eerbiediging van he EVRM als gevolg van de ondertekening van Internationale verdragen door een andere lidstaat niet ka worden weerhouden als Verzoekers het begin van bewijs bijbrengen dat er een risico bestaat to schending van artikel 3 EVRM in geval van verwijdering naar Italië.
94 Verzoekers wensen volgende opmerkingen te maken met betrekking tot het voorgaande,voornamelijk wat betreft de opvang van asielzoekers in Italië die onder de Dublinverordenin terugkeren.
95 Verzoekers maken immers deel uit van een kwetsbare groep die het voorwerp uitmaakt van ee systematische praktijk die strijdig is met artikel 3 EVRM, namelijk asielzoekers met minderjarig kinderen die terugkeren onder het Dublinsysteem. Verzoekers, waaronder een minderjarige dochter,zullen overeenkomstig de bijlage 26quater worden verwijderd naar Italië onder de Dublinverordening.Reeds in 2006 maken verschillende organisaties gewag van het feit dat de opvangvoorzieningen voo asielzoekers niet voldoende waren, dat asielzoekers slechts 45 dagen materiele hulp verkrijgen en da de situatie sindsdien continu verergert; niet in het minst door de enorme toevloed aan asielzoekers sind de zogenaamde "Arabische Lente" en de economische crisis die nog steeds speelt. Italië was en is to de op de dag van vandaag een belangrijke toegangspoort naar andere Europese landen. Italië kent te gevolge daarvan niet alleen een enorme toevloed aan asielzoekers, doch ook een enorme 'terugvloed'ten gevolge van de asielaanvragers die door andere Europese lidstaten worden teruggestuurd naa Italië ten gevolge van de Dublinverordening. Italië is geenszins in staat om deze aanhoudende stroo van vluchtelingen op een menswaardige wijze op te vangen en te begeleiden. Reeds in het schrijve van de raadsman van Verzoekers van 4 maart 2013 wordt aan de hand van verwijzingen naa verschillende rapporten de erbarmelijke toestand in Italië omschreven. Daarnaast worden i concreto ook de persoonlijke omstandigheden van Verzoekers omschreven en wordt gevraagd o de soevereiniteitsclausule van artikel 3.2 toe te passen. Volgens de Dienst Vreemdelingenzaken zij de verwijzingen naar rapporten betreffende opvang van 2008, 2009 en 2010 gedateerd en doe deze niet meer terzake. In het schrijven gericht aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden echte tevens diverse verwijzingen opgenomen naar rapporten uit 2011. Uit alle aangehaalde bronnen blijk enkel dat de situatie reeds verschillende jaren uitermate slecht is. Nergens blijkt dat alle probleme opeens volledig van de baan zouden zijn. Onder meer de volgende rapporten worden aangehaald.Hierna worden tevens enkele paragrafen uit de betreffende rapporten geciteerd die de precair opvangsituatie van asielzoekers in Italie schetsen. Ook deze recente rapporten tonen aan dat d situatie nauwelijks gewijzigd is. MSF Italie Abstract Au-dela du mur. Voyage dans les centres pou migrants en Italie. Janvier 2010 RvV X - Pagina 10 van 19 http://www.medicisenzafrontiere.it/ImmaQini/file/Dubblicazioni/FRA abstract audela mur.pdf ^Les données recueillies durant les visites de 2008 et 2009, montrent que malgré quelque ameliorations concernant surtout la structure des bâtiments, les conditions sont assez semblables celles qui avaient été constatées en 2003. De nombreux signes de mauvais fonctionnemen persistent quel que soit I'organisme gestionnaire. Apparaissent en particulier : l'absence d protocoles d'accord fixant clairement les rapports entre les centres et le système de sante national,I'insuffisance des services de sante, d'assistance légale, sociale et psychologique. Apparaissen aussi des signes de profond malaise parmi les détenus, révélés par la fréquence d'incidents tels qu des actes d'auto mutilations, rixes et actes de révolte. Malgré les profondes différence fonctionnelles et organisationnelles entre CIE et CARA/CDA, ces centres sont caracterises par l cohabitation, dans la promiscuité, de personnes aux histoires et parcours très différents, comprenan des personnes vulnérables qui requièrent une assistance adaptée. » - Proasyl, The Living Conditions of Refugees in Italy, 28 February 2011 http://www.Droasvl.de/fileadmin/fm-dam/g PUBLIKATIONEN/2011/Italvreport en web ENDVERSION.pdf - OSAR, Asylum procedure and reception conditions in Italy, May 2011 http://www.fluechtlinashilfe.ch/droit-d-asile/ue/schenaen-dublin-et-la-suisse/asvlum-procedure-and-reception-conditions-in-italv "The Italian legislation guarantees - at least on oaoer - reception to all asylum seekers. However; i many cases, no accommodation is provided by the government; the situation is especially tense i major cities. The interval be-tween the initial demand for protection at the Questura and the tim when an applicant will obtain the position where accommodation is offered - with verbalization - i reported to last from a few days, up to, in worst cases, several months. A large number of asylu seekers are then left without any service and will need to find shelter on their own. Most end up livin on the street. Stakeholders have confirmed this to be the case for Milan, Turin, and Rome. Th social services of the municipalities, local NGOs, or church organizations may offer emergenc places in dormitories as a part of a general service for homeless, but capacities are very limited. I fact most of the applicants only get accommodation after the verbalization, if the Questura finds place for them in a CARA center." [...] "According to the EU Reception Conditions Directive, asylum seekers have the right t accommodation until they have received a final decision on their claim. In theory. Italian law follow this scheme; however, because of shortcomings in the accommodation system, many asylu seekers are accommodated only until the first-in stance decision on their claim. It normally takes tw months from the verbalization to a first instance decision. Women with children or other vulnerabl groups are allowed to stay a little longer depending on the capacity in the centers at the time. Al others like single women and men, families with both parents in most cases lose their stay an therefore their material support with their first-in stance decision." [...] "Italy's Dublin Unit is overwhelmed with responding to take-back requests. The delegation wa informed by the Questura in Rome that many take-back cases concern vulnerable persons where th Dublin Unit is informed what sort of medical treatment, medicine or psychiatric support is needed.They have by far not enough resources to deal with these cases. The delegation was told by th Prefecture of Rome that they would therefore appreciate very much if other European countrie would not send vulnerable persons back to Italy." [...] RvV X - Pagina 11 van 19 "Italian stakeholders agree that the system does not work, due to a lack of capacities. 3000 place have been created under this scheme. The number is by no means sufficient, but there is a lack o political will to upgrade the system in order to meet the actual demands. Regardless of the number o asylum claims in the future, no budgetary changes are planned until 2013.86 The already insufficien capacities will remain the same." Niets wijst erop dat inmiddels aan deze problemen verholpen zou zijn. Ook blijkt uit dit rapport da het risico bestaat dat Verzoekers naar Italiaanse normen niet zullen beschouwd worden als ee kwetsbare groep, waardoor zij mogelijks nog sneller het recht op een opvangplaats zullen verliezen. Italian law identifies vulnerable groups in accordance with the specification in the EU Receptio Conditions Directive, Article 17: «Minors, unaccompanied minors, disabled people, elderly people,pregnant women, single parents with minor children and persons who have been subjected t torture, rape or other serious forms of psy-chological, physical or sexual violence.» Families wit minors and single women are not considered vulnerable. For the budgetary period of 2011-2013, 50 places in the SPRAR system are reserved for vulnerable groups. In reality, many more places ar allocated to this group, especially to pregnant women. The time in a center can be extended only for persons who are considered vulnerable. Once th extended period has expired, they have to leave the center regardless whether they are still in th procedure or have already been granted a protection status. Particularly vulnerable persons ar often unable to sustain themselves. Some find accommodation in a squat, others live on the street.All of them live in extreme poverty under inhuman conditions with no perspective to improve thei personal living situation." Verwerende partij heeft de onderzoeksplicht die op haar rust als staat die personen naar Italiëterugzendt onder de Dublinverordening niet nageleefd. In de bijlagen 26quater van Verzoeker beperkt verwerende partij zich ertoe de verschillende Europese verdragen op te sommen waarbi Italië partij is en te verwijzen naar Italiaanse wetgeving die de nodige waarborgen zouden moete verlenen voor een menswaardige behandeling van Verzoekers, met respect voor hun fysiek integriteit. Uit diverse voorbeelden blijkt echter duidelijk dat de Italiaanse praktijk geenszins voldoet aan d wettelijke verplichtingen. Verwerende partij gaat echter voorbij aan de situatie praktijk. Verwerende partij stelt dat de vrees van verzoekers voor een onmenselijke behandeling niet gestoeld is op persoonlijke ervaringen. Verwerende partij stelt echter zelf dat op basis van de rapporte kan besloten worden dat voor vreemdelingen "in de meeste gevallen opvang kan worden gevonden".Zij erkent dus zelf dat dat niet altijd het geval is. Italie heeft niet geantwoord op het verzoek tot overname. Verwerende partij heeft zich dus geenszin verzekerd van de mogelijkheden tot opname waarover Italie in concreto zou beschikken. Zij is daa nochtans toe verplicht (cf. supra). "In reality, neither sending states (as Switzerland or Norway) are investigating properly befor sending a person> nor are the receiving Italian authorities able to ensure that Dublin returnees fin dignified living conditions after return. The Italian Dublin unit has been overloaded by the larg number of incoming Dublin requests. This is also mirrored by the low number of cases that wer directly accepted by the Italian authorities. For the larger part, Italy becomes responsible for a Dubli case due to the fact that the two-month period for answering the request has elapsed: Th authorities are not able to process the requests within the allotted time. This leads to a situatio where many Dublin returnees arrive at the airport without the border police being informed abou their arrival - not to mention any specific need. Such practice has a very negative effect on th reception of vulnerable persons, because Italian authorities will not be prepared to meet the specia needs of these persons upon arrival." NOAS, The Italian approach to asylum: System and core problems, April 2011 http://noas.QrQ/ "A third problem related to the Reception directive, is how Italy in many cases do not offer assistanc from the moment the asylum seekers approach the police in order to make an application (see 2.1. RvV X - Pagina 12 van 19 and 3.1.). The directive (art. 13, paragraph 1) states "Member States shall ensure that mate ria reception conditions are available to applicants when they make their application for asylum". I Italy, it has been common to provide accommodation only after the formal registratio (verbalizatione), causing an interval of weeks or even months before any assistance is mad available. The question is then the meaning of the phrase "when they make their application" in th Directive. It seems reasonable to assume that the directive prescribes accommodation from the wis to apply for asylum is stated, as this also seems to be the common interpretation in other European countries." [...] The Italian Dublin Unit admits to be overloaded and not able to handle all requests about returnee from other European countries in time. The result is insufficient preparation before transfers ar conducted, causing cases with individuals not being offered any services in the local community the are directed to. This creates a risk of harmful situations and is of course alarming in cases involvin vulnerable Individuals, like families with children and persons with a bad health condition. The current situation in Italy, with the dramatic influx of new asylum seekers from the south, calls fo an even greater focus on the specific situation of the individual asylum seeker and refugee whe returns are considered. This implies careful investigations of the circumstances individuals will face upon return." [...] In the Centro Enea centre there are 80 places reserved for Dublin returnees who arrive at th Fiumicino airport. Those who get access are allowed to stay for a maximum of two weeks while the wait for a place in the SPRAR system. However, if such a place is not available, they usually ar allowed to continue the stay, which in some cases can last several months. Vulnerable asylu seekers are given priority for these 80 places. However, new Dublin returnees arrive every day,meaning that there are far from enough spaces. Previously, hotel rooms in Rome could be arrange as temporary solutions, but this is no longer possible due to lack of financing. The case is often that individual returnees are simply directed to their respective areas and told t approach local authorities there, before any kind of reception services have been arranged. If person has previously left a local project, it can be difficult to regain access to social services. Thi can lead to situations where individuals considered vulnerable are left on their own for varyin periods of time." Dezelfde rapporten worden aangehaald door de Dienst Vreemdelingenzaken teneinde haa standpunt te staven. Er moet echter vastgesteld worden dat Italië er nog steeds niet in slaagt d haar opgelegde verplichtingen na te komen, ondanks het feit dat in bepaalde gevallen - zij he minimale - verbeteringen werden vastgesteld. De Dienst Vreemdelingenzaken beperkt zich tot ee zeer oppervlakkig onderzoek van enkele rapporten. Uit de verschillende hier geciteerde paragrafe blijkt echter een heel ander beeld dan dat dat verwerende partij tracht te schetsen. - Een recent rapport van ECRI van februari 2012 bevestigt dat deze problemen verre van opgelos zijn gezien de aanhoudende toevloed aan asielzoekers. Dit rapport vermeldt een verergering van d opvangomstandigheden. http://www.coe.int/t/dqhl/monitorinq/ecri/countrv-bv-countrv/italv/ITA-CbC-IV-2012- 002-ENG.pdf "When considering the situation of refugees and asylum seekers in Italy, ECRI must draw distinction between two periods. On the one hand, between 2006 and 2010 the number of asylu claims in Italy fluctuated widely, rising from 10 348 in 2006 to 30 324 in 2008 only to fall to 17 603 i 2009.79 The number of sea arrivals was 19 900 in 2007 and 36 000 in 2008. About 75% o individuals arriving by sea claimed asylum, and approximately 50% of them were granted refuge status or some other form of international protection. On the other hand, the number of sea arrival rose again dramatically following the events in some North African countries in early 2011.81 Thu between mid-January and late March 2011, about 19 000 Tunisians and 1 500 persons from Liby arrived on the island of Lampedusa." RvV X - Pagina 13 van 19 De Dienst Vreemdelingenzaken haalt aan dat Italië partij is bij de Conventie van Geneve van 195 en partij is bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Bovendien i Italië als lidstaat van Europa gebonden door dezelfde internationale verdragen als België. Volgen de Dienst Vreemdelingenzaken moet er bijgevolg van uit worden gegaan dat Italië zijn verplichtinge zou nakomen. In principe zou dit ook het geval moeten zijn. Er moet echter vastgesteld worden da de Italiaanse asielpraktijk ernstig afwijkt...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT