Arrest nr. 7/2013 van Grondwettelijk Hof, 14 februari 2013

Datum uitspraak:14 februari 2013
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 13 augustus 2011 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en door de Orde van Vlaamse balies en Edgar Boydens.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

    1. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 februari 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 februari 2012, hebben de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 65, en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Justitiepaleis, Poelaertplein, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2011).

    2. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 maart 2012, heeft de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat 22, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 4 van voormelde wet van 13 augustus 2011.

    3. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 maart 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 maart 2012, heeft de vzw « Liga voor Mensenrechten », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Gebroeders Desmetstraat 75, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet.

    4. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 maart 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 maart 2012, hebben de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en Edgar Boydens, wonende te 1560 Hoeilaart, Karel Coppensstraat 13, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet.

    Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5316, 5329, 5331 et 5332 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

    Memories zijn ingediend door :

    - de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik;

    - de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 154;

    - de Ministerraad.

    De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de procureur- generaal bij het Hof van Beroep te Luik en de Ministerraad hebben memories van wederantwoord ingediend.

    Op de openbare terechtzitting van 13 november 2012 :

    - zijn verschenen : . Mr. M. Neve, advocaat bij de balie te Luik, en Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5316, en Mr. D. Renders, advocaat bij de balie te Brussel, voor de tweede verzoekende partij in dezelfde zaak;

    . Mr. O. Venet loco Mr. D. Ribant, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 5329;

    . Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 5331;

    . Mr. M. Vandermeersch en Mr. J. Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 5332;

    . Mr. F. Ureel, advocaat bij de balie te Charleroi, voor de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie »;

    . Mr. E. Jacubowitz, Mr. P. Schaffner en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad ;

    - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot verslag uitgebracht;

    - zijn de voornoemde advocaten gehoord;

    - zijn de zaken in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. In rechte

    -A-

    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen en van de tussenkomst van de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie »

    A.1.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : OBFG), eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5316, en de « Orde van Vlaamse balies » (hierna : OVB), eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5332, zetten uiteen dat de bestreden wet afbreuk doet aan de belangen die zij behartigen in zoverre zij bepalingen bevat die de rechten van de verdediging belemmeren en afbreuk doen aan het eerlijke karakter van het strafproces.

    De OBFG, de OVB en de Franse orde van advocaten bij de balie te Brussel, tweede verzoekende partij in de zaak nr. 5316, doen gelden dat de bestreden wet de voorwaarden van uitoefening van het beroep van advocaat raakt en de beroepsbelangen schaadt van de advocaten die onder die orden ressorteren, zodat zij over het vereiste belang beschikken om de vernietiging daarvan te vorderen.

    1. Boydens, tweede verzoekende partij in de zaak nr. 5332, zet uiteen dat de bestreden wet hem verhindert zijn beroep van advocaat uit te oefenen overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij voegt daaraan toe dat hij als rechtsonderhorige strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd en wenst dat in dat geval zijn rechten van de verdediging en zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig die bepaling worden gerespecteerd. A.1.2. De vzw « Ligue des Droits de l’Homme », verzoekende partij in de zaak nr. 5329, en de vzw « Liga voor Mensenrechten », verzoekende partij in de zaak nr. 5331, doen gelden dat zij, krachtens hun respectieve maatschappelijke doelen, belang hebben bij het vorderen van de vernietiging van een wet die op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van de verdediging doordat zij bepaalde burgers een eerlijk proces ontzegt.

      A.1.3. De vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », tussenkomende partij, is van mening dat zij krachtens haar maatschappelijk doel eveneens een belang heeft om de grondwettigheid te betwisten van de bestreden wet die tot gevolg heeft dat zij de rechten van de verdediging van de rechtsonderhorige en de prerogatieven van de advocaat beperkt. Die tussenkomende partij sluit zich aan bij alle middelen die voor de verzoekende partijen worden uiteengezet.

      A.1.4. De Ministerraad betwist noch de ontvankelijkheid van de beroepen noch die van de tussenkomst van de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie ».

      Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik

      A.1.5. De verzoekende partij in de zaak nr. 5331 betwist de ontvankelijkheid van de memorie ingediend door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik op grond van de artikelen 78 en 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Zij is van mening dat het openbaar ministerie geen partij is, in de zin van artikel 85 van de bijzondere wet, bij het geding waarin de prejudiciële vraag met rolnummer 5291 is gesteld en dat het dus niet kan tussenkomen in de procedure op beroep tot vernietiging. Zij voegt daaraan toe dat de magistraten van het openbaar ministerie organen van de Staat zijn en dat die reeds voor het Grondwettelijk Hof wordt vertegenwoordigd door de Ministerraad.

      Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memories van antwoord ingediend door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 5331 en 5332

      A.1.6. De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik is van mening dat de memories van antwoord ingediend door de vzw « Liga voor Mensenrechten » (zaak nr. 5331) en door de OVB en E. Boydens (zaak nr. 5332) uit de debatten moeten worden geweerd omdat zij in het Nederlands zijn opgesteld, terwijl zij aan het Hof zijn gericht na de beschikking tot samenvoeging van die zaken met de zaak nr. 5316, genomen op 15 maart 2012. Hij betoogt dat aangezien de taal van de procedure sinds die samenvoeging het Frans is, de memories in het Frans hadden moeten zijn opgesteld.

      Ten gronde

      Wat betreft de toepassingssfeer van de bestreden wet

      A.2.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5332 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 2 van de wet van 13 augustus 2011, in zoverre het de inleidende zin en punt 1 van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering vervangt en het in die bepaling de paragrafen 2 en 4 tot 7 invoegt, en uit de schending door artikel 4 van de wet van 13 augustus 2011, in zoverre het een artikel 2bis, §§ 1 en 2, in de wet van 20 juli 1990 invoegt, van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

      Zij doen gelden dat doordat de bestreden bepalingen geen uitdrukkelijke definitie geven van het begrip verhoor terwijl zij aan dat begrip belangrijke rechtsgevolgen verbinden, de rechtsonderhorige verhinderen precies te bepalen op welk ogenblik de rechten waarin zij voorzien uitwerking hebben.

      A.2.2. De Ministerraad verwijst naar het « Handboek voor de advocaat-stagiair » en naar de « Salduz-gedragscode » gepubliceerd door de verzoekende partijen in de zaak nr. 5332, die nergens melding maken van een interpretatieprobleem veroorzaakt door het gebrek aan wettelijke definitie van het begrip verhoor. Hij leidt daaruit af dat de verzoekende partijen wel degelijk in staat zijn om te...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT