Vonnis nr. 10/18543/A van Arbeidsrechtbank, Brussel, 26 november 2012

Datum uitspraak:26 november 2012
Uitgevende instantie::Brussel
 
GRATIS UITTREKSEL

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

23ste kamer - openbare zitting van 26 november 2012

VONNIS

A.R. nr. 10-18543-A

Arbeidsovereenkomst bediende

Tegensprekelijk tussenvonnis Rep. nr. 12/

IN DE ZAAK:

De heer X,

wonende

eisende partij, vertegenwoordigd door , ....advocaten;

TEGEN:

De N.V. ERICSSON,

met maatschappelijke zetel gevestigd Lozenberg 18-20 te 1930 ZAVENTEM,

verwerende partij, vertegenwoordigd door ...., advocaat;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek,

  1. PROCEDURE

    De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

    · het inleidend verzoekschrift d.d. 21 december 2010;

    · de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 18 januari 2011;

    · de conclusies, aanvullende- en syntheseconclusies van partijen;

    · de dossiers van partijen.

    De verzoeningspoging is mislukt.

    De partijen hebben gepleit op de zitting van 24 september 2012, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.

    I . VOORWERP VAN DE VORDERING.

    De vordering van eiser, zoals uiteengezet in de laatste syntheseconclusies, strekt ertoe:

  2. de NV ERICSSON zich te horen veroordelen tot betaling aan eiser van de volgende bedragen:

    - 1.204,70 EUR ten titel van intresten op de betalingen doorgevoerd na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (onder aftrek van 102,83 EUR, betaald op 03/01/2012), wat een saldo geeft van 1.101,87 EUR;

    - 66.631,15 EUR ten titel van aanvullende beschermingsvergoeding, ondergeschikt ten titel van schadevergoeding en in nog meer ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, minstens de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

    " Schenden de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 geïnterpreteerd in die zin dat de vergoedingen die zij voorschrijven in het geval van een werknemer, die geniet van de bescherming van deze wet en die tijdelijk een recht op loopbaanonderbreking uitoefent onder de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, dienen te worden berekend op het daarmee overeenstemmende loon, zijnde dit voor de verminderde arbeidsprestaties, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel gecombineerd met artikel 11 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en van het Verdrag nr. 98 van de IAO, in de mate:

    - de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties volledig heeft opgeschort in het kader van een loopbaanonderbreking recht heeft op vergoedingen vastgesteld op basis van een voltijds loon;

    - terwijl de vergoedingen van de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties tijdelijk heeft verminderd in het kader van een stelsel van loopbaanonderbreking worden vastgesteld op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties;

    - en rekening houdend met het feit dat door dit te doen:

    - de bescherming tegen de anti-syndicale represailles ingesteld door de wet wordt afgezwakt, vermits de vergoedingen die het respecteren van de wettelijke bescherming dienen te waarborgen (en de schendingen sanctioneren) op een belangrijke wijze kunnen worden verminderd in de periode tijdens dewelke het recht op de vermindering van de arbeidsprestaties wordt uitgeoefend, waarbij deze vermindering kan gaan tot de helft van de vergoeding verschuldigd aan een werknemer met éénzelfde situatie op het vlak van loon voorwaarden en anciënniteit die zijn recht op een loopbaanonderbreking uitoefent in het kader van een volledige opschorting van zijn arbeidsprestaties,

    - de beschermde werknemers legitiem een onregelmatig ontslag vrezen, dat minder duur is voor de werkgever, zodat het uitoefenen van een dergelijk recht te ontraden valt uit vrees voor een belangrijk nadeel."

    - 15.798,07 EUR ten titel van werkzekerheidsvergoeding;

    - 1 EUR provisioneel ten titel van loonregularisatie (conventionele indexering CAO nr. 1) met tevens de veroordeling tot het bijbrengen van een overzicht en afrekening van de lonen en andere voordelen die het voorwerp van de indexeringen uitmaakten sedert 1 juli 2008 tot op de datum van het ontslag, en dit binnen de maand na de betekening van het tussen te komen vonnis en op straffe van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging;

    - 2.908,17 EUR (705,27 EUR voor 2007, 1.077,16 EUR voor 2008 en

    1.125,74 EUR voor 2009) ten titel van regularisatie in het kader van de gelijkstelling (art. 3 CAO nr. 1), te vermeerderen met de vakantiegelden t.b.v. 446,11 EUR (15,34 % van 2.908,17 EUR);

    - 1 EUR provisioneel ten titel van regularisatie van de stortingen m.b.t. de individuele verzekering in het kader van de CAO BRIGHT (compensatie van de inhoudingen voor « kosten »);

    - 2.044,56 EUR ten titel van schadevergoeding voor het niet verlengen van de reclasseringsperiode met de verlofdagen van december 2009.

  3. de NV ERICSSON zich te horen veroordelen tot de betaling van de wettelijke en gerechtelijke intresten alsmede tot de kosten van het geding, basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

    * * *

    Verwerende partij vraagt de vordering van de heer X ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de heer X ervan af te wijzen.

    Tevens vordert eisende partij de heer X te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingvergoeding van 3.300 euro (basisbedrag).

    1. DE FEITEN.

  4. De heer X trad op 1 maart 1997 in dienst van de vennootschap MOBISTAR.

    Ingevolge de outsourcing door de NV Mobistar aan de NV Ericsson van haar "departement ITN", werd de arbeidsovereenkomst van de heer X, bij toepassing van CAO 32bis, aan de NV Ericsson overgedragen met ingang van 1 mei 2007.

    Het departement ITN van de NV Mobistar werd geïntegreerd in het departement

    Service Delivery Organisation

    van de NV Ericsson.

    De heer X werd geïntegreerd als "Performance and Quality Manager" in dit departement.

  5. Op het ogenblik van zijn overname door de NV Ericsson had de heer X, als lid van de ondernemingsraad van de NV Mobistar, het statuut van beschermde werknemer.

    Bovendien werd hij ter gelegenheid van de sociale verkiezingen van mei 2008 verkozen als lid van de ondernemingsraad van de NV Ericsson.

  6. De heer X heeft van 1 mei 2007 tot en met 31 augustus 2008 zijn arbeidsprestaties verminderd ten belopen van 1/5de in het kader van het stelsel van tijdskrediet bij toepassing van CAO 77bis.

    Vanaf 1 september 2008 heeft de heer X voltijdse arbeidsprestaties geleverd.

  7. In juli 2009 verzocht de heer X opnieuw om een tijdskrediet via een reductie van zijn arbeidsprestaties met 1/5de. Deze aanvraag had betrekking op de periode van 8 augustus 2009 tot 31 januari 2010. De RVA verwierp deze aanvraag omdat er nog geen jaar was verlopen sedert het einde van de vorige periode met tijdskrediet. De RVA preciseerde daarbij dat een nieuwe aanvraag kon worden ingediend vanaf 1 september 2009.

  8. Op 5 november 2009 heeft de heer X een nieuwe aanvraag tot tijdskrediet ingediend met reductie van de arbeidsprestaties met 1/5de voor de periode ingaande op 15 september 2009 tot en met 15 maart 2010.

    De aanvraag werd door de RVA aanvaard. Er werd geen geschift in de zin van artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 opgesteld betreffende dit tijdskrediet.

  9. Eiser werd vanaf 26 oktober 2010 toegevoegd aan een nieuwe ploeg, m.n. deze van de heer A, en dit in het kader van een nieuw opgestart project AZALAI.

  10. Ter gelegenheid van de buitengewone vergadering van de ondernemingsraad van 30 november 2009, werd door de NV Ericsson een reorganisatie aangekondigd in het departement "Delivery Support Services".

    Bij deze gelegenheid werd aangekondigd dat de functie van 9 bedienden en 11 consultants werden geschrapt, zijnde de functies die door de NV Ericsson niet als "kritisch" werden beschouwd en derhalve geen toegevoegde waarde hadden voor het bedrijf.

    De functie van Performance and Quality Manager, die de heer X op 30 november 2009 uitoefende, werd daarbij geschrapt.

  11. Bij schrijven van 30 november 2009 werd ten aanzien van de heer X de interne reclasseringsprocedure opgestart bij toepassing van artikel 4 van de bedrijfs-cao nr. 3 d.d. 27 maart 2009 betreffende de werkstabiliteit binnen de onderneming. De zoekperiode van 4 weken is ingegaan op 30 november 2009 en is verstreken op 30 december 2009.

  12. Eiser nam tijdens de 2 laatste weken van december nog resterende verlofdagen op.

    De heer X vroeg de reclasseringsprocedure te verlengen, waarop de werkgever niet inging.

  13. Aangezien de heer X na afloop van de zoekfase niet kon worden gereclasseerd, werd hij bij schrijven van 30 december 2009 ontslagen met onmiddellijke ingang mits betaling van de beschermingsvergoeding bij toepassing van de wet d.d. 19 maart 1991, met name de forfaitaire vergoeding van 3 jaar bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991 en het loon tot de volgende sociale verkiezingen bij toepassing van artikel 17 van dezelfde wet.

  14. Bij aangetekend schrijven van 4 januari 2010 heeft de heer X, bij toepassing van artikel 14 van de wet d.d. 19 maart 1991 zijn re-integratie gevraagd. De NV Ericsson is niet ingegaan op dit verzoek tot re-integratie.

  15. Op 25 januari 2010 heeft de NV Ericsson aan de heer X de volgende bedragen betaald ten titel van beschermingsvergoeding:

    - 221.503,05 euro bruto (36 maanden beschermingsvergoeding bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991), berekend op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling;

    - 220.454,27 euro bruto (het loon tot de installatie van de eerstvolgende ondernemingsraad in 2012 (30 maanden) bij toepassing van artikel 17 van de wet d.d. 19 maart 1991), berekend als volgt:

    - 2,5 maanden op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling,

    - 27,5 maanden op basis van het salaris voor een voltijdse tewerkstelling.

    De globaal uitbetaalde beschermingsvergoeding van 447.138,84 euro dekt aldus in het totaal een periode van 66 maanden.

  16. De heer X heeft vervolgens aanspraak gemaakt op de betaling van bijkomende bedragen, naar aanleiding waarvan besprekingen plaats vonden tussen partijen.

    Ingevolge deze besprekingen werden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT