Arrest nr. 2011/AR/2289 van Hof van Beroep, Brussel, 4 september 2012

Datum uitspraak: 4 september 2012
Uitgevende instantie::Brussel
 
GRATIS UITTREKSEL

DEEL III

  1. Gegeven dat de wetgever voorzien heeft in een stelsel van vervanging van akten die nietig zijn wegens schending van de wet op het taalgebruik in bestuurszaken door akten die retroactieve uitwerking krijgen, gesteld dat de beslissingen van de CRC aan die wetgeving is onderworpen, enerzijds en dat het hof mogelijk zou kunnen beslissen om de gevolgen van een op grond van die wetgeving te vernietigen beslissing te handhaven zolang ze niet is vervangen anderzijds, kan er op grond van de aangevoerde schending van de taalwet in bestuurszaken geen reden bestaan om de bestreden beslissingen te schorsen.

    Het zou immers contradictorisch zijn om met de schorsing een beslissing gevolgen te ontnemen terwijl de wet zelf beoogt die gevolgen retroactief te handhaven en het hof zelf reden zou zien tot die handhaving voor de periode dat de vernietigde beslissing niet is vervangen.

    Zodoende kan het middel, al scheen het ernstig, niet de schorsing van de bestreden beslissingen wettigen.

    1. Schending van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming van de Instellingen, inzonderheid van artikel 4,6° ervan, in twee onderdelen.

  2. Telenet formuleert op dit punt als grief aan dat de CRC beslissingen heeft genomen inzake de analyse van de omroepmarkt in de plaats van de VRM, SCA en het BIPT.

    Ze geeft op dit punt aan dat de bevoegdheden die op grond van artikel 4,6° BWHI toevallen aan de overheden, met name radio-omroep en televisie enerzijds en de andere vormen van telecommunicatie anderzijds, een exclusief karakter hebben en dat wanneer die overheden beslissen om samen te werken, zulks niet mag leiden tot uitwisseling, afstand of teruggave van bevoegdheden.

    Hieruit leidt zij af dat op grond van het Samenwerkingsakkoord de CRC enkel kan optreden als een overlegplatform tussen het federale BIPT en de gemeenschapsregulator en dat ieder van die instanties als enige bevoegd blijft om eindbeslissingen te nemen in aangelegenheden die tot hun exclusieve bevoegdheid behoren.

    Volgens Telenet kon het Samenwerkingsakkoord dan ook geen beslissingsmacht overhevelen van het BIPT, de CSA en de VRM naar de CRC, die geen beslissingen kon nemen in de plaats van de laatstgenoemden.

  3. Het Samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 werd gesloten tussen de Federale Staat, de Vlaamse gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap nadat het Grondwettelijk Hof bij een arrest nr. 132/2004 van 14 juli 2004 had geoordeeld dat zulke samenwerking absoluut vereist was in het stelsel van verdeling tussen verschillende wetgevers van de bevoegdheid inzake radio-omroep en televisie enerzijds en andere vormen van telecommunicatie anderzijds wegens de verwevenheid hiervan ingevolge de technologische evolutie.

    Het Samenwerkingsakkoord geeft aan dat het werd gesloten ondermeer met toepassing van de artikelen 4,6° en 92bis §§ 1 en 5 van de BWHI.

    Artikel 92bis §1 bepaalt dat : ‘De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijk beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op het gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven'.

    Overigens moet worden opgemerkt dat ook artikel 3 - 4° van de Kaderrichtlijn aan de lidstaten opdraagt om overleg en samenwerking te organiseren wanneer de taken die aan de nationale regelgevende instanties zijn toebedeeld aan verschillende lichamen worden toevertrouwd.

  4. Over het voorwerp van de samenwerking geeft artikel 1 van het Samenwerkingsakkoord aan dat ze ondermeer betrekking heeft op het uitwisselen van informatie en de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot elektronische communicatiewerken door de regulerende instanties bevoegd voor telecommunicatie of radio-omroep en televisie.

    Met artikel 3 van het Samenwerkingsakkoord wordt een procedure ingesteld waarbij elke ontwerpbeslissing, die een elektronisch communicatienetwerk zoals bedoeld in artikel 2 betreft, door een regulerende instantie wordt meegedeeld aan de andere regulerende instanties en deze laatsten vervolgens ook kunnen vragen dat de ontwerpbeslissing wordt aanhangig gemaakt bij de CRC.

    Krachtens artikel 5 van het Samenwerkingsakkoord is de CRC ingesteld als een rechtspersoon waarin negen leden zitting nemen: de vier leden van de Raad van het BIPT, twee leden van de VRM en van de CSA en één lid van de Medienrat. Binnen de CRC worden de beslissingen genomen bij consensus. Jaarlijks en volgens een beurtrol wordt een voorzitter aangewezen en een lid dat het secretariaat van de CRC waarneemt.

  5. Anders dan Telenet voorhoudt, leidt het stelsel bepaald in artikel 5 van het Samenwerkingsakkoord er niet toe dat de verschillende contracterende betrokken partijen een bevoegdheid van hun regelgevende instantie gedeeltelijk afstaan.

    Het beoogt integendeel, in de gevallen waarin zulks noodzakelijk is met het oog op de naleving van de regels van bevoegdheidsverdeling, overleg en besluitvorming bij consensus in te stellen betreffende iedere ontwerpbeslissing van één van de regelgevende instanties.

    Op het einde van dit beslissingstraject herneemt elke instantie zijn individuele bevoegdheidsuitoefening betreffende die beslissing, bij voorbeeld om uitvoeringsmaatregelen te treffen, zoals trouwens voorgeschreven bij artikel 6 van het Samenwerkingsakkoord.

    Dit blijkt trouwens ook uit elk van de bestreden beslissingen, die in de redengeving gewag maken van de inzichten van de regulerende instantie tot wiens bevoegdheidssfeer de betrokken beslissing behoort als maatstaf voor de appreciatie.

  6. Aldus staat een beslissing van de CRC in wezen voor een gezamenlijke beslissing van de verschillende regelgevende instanties.

    Getoetst aan het normatief kader bepaald in artikel 92bis §1 BWHI, kan aldus op het eerste gezicht worden vastgesteld dat de CRC kon worden opgericht als een gemeenschappelijke instelling met het oog op de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden van de Federale Staat en de Gemeenschappen.

    In zoverre lijkt het middel niet ernstig.

  7. In tweede instantie ziet Telenet een schending van artikel 4, 6° BWHI ‘indien en voor zover verplichtingen zouden worden opgelegd die zich niet beperken tot de regulering van elektronische communicatienetwerken en -diensten inzoverre zij worden gebruikt voor de overdracht van signalen van radio-omroep en televisie'.

    Haar argumentatie in dit verband luidt dat het Vlaamse Mediadecreet, het Decreet Audiovisuele Mediadiensten van de Franstalige Gemeenschap en de Omroepwet slechts bevoegdheid tot regulering toekennen in zoverre de elektronische communicatienetwerken en -diensten gebruikt worden voor de overbrenging van radio-omroep en televisiesignalen, maar dat de verplichting die bij de bestreden beslissingen wordt opgelegd inzake doorverkoop van breedbandinternet aldus zou kunnen worden geïnterpreteerd dat ze niet beperkt blijft tot breedbandinternet inzoverre het gebruikt wordt voor de overbrenging van radio-omroep of televisiesignalen. Geen van de voormelde regelgevingen verlenen evenwel bevoegdheid om het breedbandinternet te reguleren.

  8. De formulering van het middel zelf doet blijken dat de schending van artikel 4, 6° BWHI slechts voorhanden zou zijn indien de inzake doorverkoop van breedbandinternet opgelegde verplichting de regulering van de toegang tot breedbandinternet als zodanig betreft.

    Anders uitgedrukt, Telenet betwist niet dat in de mate de verplichting slaat op de doorgifte van radio-omroep en televisiesignalen, de regulerende instanties van de Gemeenschappen en het BIPT voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad daarmee hun bevoegdheid niet overschrijden.

    Evenwel doen de bestreden beslissingen blijken dat de doorverkoop van breedbandinternet niet een regulering van dit laatste als zodanig betreft, maar slechts als verplichting wordt opgelegd in samenhang met de toegang tot het digitaal televisieplatform, precies omwille van het belang van de mogelijkheid om een bundeld van producten (multi-play) te kunnen aanbieden bij het competitiever maken van de televisieomroepmarkt Ze geven aan dat de opgelegde verplichting om het breedbandaanbod van de SMP-operator door te verkopen essentieel is voor de doeltreffendheid van de verplichting van toegang tot het digitale platform opgelegd op de retailmarkten voor televisieomroep.

    In dit opzicht vormen de bestreden beslissingen een typische exponent van de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde verwevenheid van bevoegdheden inzake telecommunicatie enerzijds en radio-omroep en televisie anderzijds, waardoor eenzelfde beslissing aspecten kan bevatten die aan de beide bevoegdheden raken.

  9. De door Telenet voorgehouden mogelijke lezing van de opgelegde verplichting inzake breedbandinternet, waarmee bevoegdheidsoverschrijding zou gemoeid zijn vindt zodoende op het eerste gezicht geen steun in de beslissingen zelf.

    Ook in dit opzicht lijkt het middel niet ernstig.

  10. Middelen geput uit de schending van voorschriften betreffende het beslissingstraject.

  11. Met haar zevende middel betoogt Telenet dat bij het doorlopen van het beslissingstraject op drie substantiële punten de toepasselijke regels werden geschonden.

    Haar kritiek hierover formuleert ze in drie onderdelen: (i) er werd geen openbare raadpleging gehouden zoals bepaald in de Kaderrichtlijn, de Omroepwet, het Decreet Audiovisuele Mediadiensten en het Vlaams Mediadecreet en ook de daarbij horende hoorplicht -als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur- werd niet nageleefd nadat de beslissingen werden gewijzigd als gevolg van de kritiek van de Europese Commissie; (ii) de Raad voor de Mededinging werd niet geraadpleegd betreffende de wholesalemarkt die nieuw werd geanalyseerd als gevolg van de opmerkingen van de Europese Commissie; (iii) de Europese Commissie werd niet geraadpleegd betreffende de nieuw geanalyseerde wholesalemarkten.

  12. Bij onderdeel (i). Artikel 6 uit de Kaderrichtlijn, dat handelt over...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT