Arrest nr. C.10.0294.N van Hof van Cassatie, België, 24 juni 2011

Datum uitspraak:24 juni 2011
Uitgevende instantie::België
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. C.10.0294.NR. V., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder ad hoc en in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder met zeer beperkte opdracht over H. V., eiser,aan wie rechtsbijstand werd verleend op 18 mei 2010 (G.10.0090.N),vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest,tegen1. TIFGA nv, met zetel te 1410 Waterloo, avenue du Manoir 107,verweerster,vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,2. ARGENTA SPAARBANK nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49 53verweerster,vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOFHet cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 september 2009.Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.II. CASSATIEMIDDELENDe eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.Eerste middelGeschonden wettelijke bepalingen- De artikelen 488 bis f en i, 1241 en 1312 van het Burgerlijk Wetboek.Aangevochten beslissingenHet bestreden arrest: "Veroordeelt (tweede verweerster) tot het betalen aan (eiser) van interesten aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van 12.611,76 euro vanaf 29 augustus 1994;Veroordeelt (eiser) tot het betalen aan (eerste verweerster) van 49.720,95 euro plus interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 6 november 1996; Zegt dat (eiser), (eerste verweerster), (tweede verweerster) (...) hun eigen gerechtskosten dragen, deze in hoger beroep vereffend op (...)"waarmee het bestreden arrest het principaal hoger beroep van eiser verwerpt voor zover dat er toe strekte de volledige restitutie te bekomen van al de sommen die H. V. betaald had aan eerste en tweede verweerster in uitvoering van de vernietigde leningsovereenkomsten;op grond van de motieven op p. 16 - 17:"De nietigheid van de handelingen van de beschermde persoon - De retroactiviteit - De gevolgen - Algemeen.20.- Alle handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met de beschermingsmaatregelen getroffen door de vrederechter bij het plaatsen onder voorlopig bewind, zijn (relatief) nietig (art. 488bis,i), eerste lid B.W. en 488bis,j), derde, vijfde lid B.W.Eens de nietigheid wordt gevorderd, moet de rechter ze uitspreken. Zij is dus ‘rechtens' (...).Deze nietigheid treft de handelingen die zijn verricht na de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder (art. 488bis,i), tweede lid B.W.). De handelingsonbekwaamheid van de beschermde persoon werkt bijgevolg terug tot op het tijdstip waarop de beslissing tot aanstelling van een bewindvoerder nog niet kon worden bekendgemaakt. Hoewel de wet in een aantal bekendmakingmaatregelen voorziet om derden die wensen te contracteren met de beschermde persoon op de hoogte te brengen van diens handelingsonbekwaamheid (zie art. 488bis,e) B.W.) heeft de wetgever bijgevolg, voor wat de penode betreft tussen de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder en de bekendmaking, voorrang gegeven aan het belang van de onbekwame boven dat van de derde, zelfs al is die te goeder trouw (...).De nietigverklaring van een rechtshandeling betekent in de regel dat die rechtshandeling geen enkel rechtsgevolg mag teweegbrengen. De partijen moeten teruggeplaatst worden in de situatie alsof er nooit een geldige rechtshandeling werd gesteld.In principe zouden dus ook de beschermde persoon en de contracterende derde moeten worden teruggeplaatst in de oorspronkelijke situatie, maar in het belang van de beschermde persoon gelden de uitzonderingsregels van de artikelen 1312 en 1241 van het Burgerlijk Wetboek omdat, indien de betrokkene ingevolge de nietigverklaring tot restitutie verplicht zou zijn, ook als de prestatie van de medecontractant hem - om welke reden dan ook -niet tot voordeel gestrekt heeft, zich immers de vraag stelt naar het nut van de beschermingsmaatregel.Artikel 1312 van het Burgerlijk Wetboek houdt een algemene regel in die van toepassing is op alle onbekwaamheden, en derhalve ook de onbekwaamheid van de ander voorlopig bewind gestelde persoon (...). De juiste aard van de geestesstoornis van H. V. is irrelevant. Artikel 1241 van het Burgerlijk Wetboek vormt in wezen slechts een toepassing van het meer algemene 1312 B.W.Art. 1312 B.W. bepaalt: "Wanneer onbekwaamverklaarden als zodanig worden toegelaten tot herstel in hun recht tegen hun verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de onbekwaamverklaring van hen niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde tot hun voordeel gestrekt heeft.Art. 1241 B.W. bepaalt: De betaling aan de schuldeiser gedaan is niet geldig, indien hij onbekwaam was om de betaling te ontvangen, tenzij de schuldenaar bewijst dat de schuldeiser uit die betaling voordeel getrokken heeft.Uit de bovenstaande bepalingen volgt dat de bewijslast ligt bij de persoon die contracteert met een handelingsonbekwame, in casu de (tweede verweerster, eerste verweerster) en FORTIS INSURANCE (...)."op p...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT