Arrest nr. 2007AR2882(bis) van Hof van Beroep, Brussel, 11 januari 2011

Datum uitspraak:11 januari 2011
Uitgevende instantie::Brussel
 
GRATIS UITTREKSEL

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL1e kamer, A.R. Nr.: 2007/AR/2882zetelend in burgerlijke zaken,Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:INZAKE VAN:V. G., appellante,vertegenwoordigd door Mr. GOOSSENS Wim loco Mr. BEEKEN Rudi, advocaat te 3390 TIELT-WINGE, Kraasbeekstraat 41 ;TEGEN:VA. R., geïntimeerde,vertegenwoordigd door Mr. VAN LINDT Bruno, advocaat te 3300 TIENEN, Peperstraat 15 ;I. HUWELIJKSVERMOGENRECHT - ONTBINDING VAN DE GEMEENSCHAP DOOR ECHTSCHEIDING - OMVANG VAN DE TERUGWERKENDE KRACHT - WET VAN 30 JUNI 1994 - OVERGANGSRECHTII. HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - NIEUW ARTIKEL 1447 BW. - OVERNAME VAN DE GEZINSWONING - OUD SCHATTINGSVERSLAG VAN DE GERECHTSDESKUNDIGE - AANPASSINGSPERCENTAGE III. HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - HUWELIJKSCONTRACT - BEDING INZAKE HET EIGEN KARAKTER VAN JUWELEN - JUWELEN NADIEN TOT GOUD GESMOLTEN: EIGEN KARAKTER?IV. HUWELIJKSVERMOGENSRECHT. BURGERRECHTELIJK STATUUT VAN DE FISCALE SCHULDEN (WIB) VAN FEITELIJK GESCHEIDEN ECHTGENOTENV. ARTIKEL 1223 GER. W. BEVOEGDHEID VAN DE BOEDELRECHTER. BEVEL TOT HET OPMAKEN VAN EEN NIEUWE STAAT VAN VEREFFENING I. De wet van 30 juni 1994, waarbij artikel 1278 Ger. W. werd gewijzigd, is niet van toepassing op een echtscheiding die voordien tot stand gekomen is, zelfs al heeft de vereffening-verdeling van de gemeenschap, ontbonden door echtscheiding, nog plaats na de inwerkingtreding van deze wet.II.Een aanpassing van het bedrag geschat door de deskundige, vele jaren geleden, voor de overname van de gewezen gezinswoning bij toepassing van nieuw artikel 1447 BW kan op een rechtens voldoende wijze geschieden - zonder nieuw deskundigenonderzoek - middels een toepassing van de ABEX-index. III . Wanneer juwelen van de echtgenote tot goud werden gesmolten, kan men stellen dat ten titel van zaakvervanging of subrogatie, het gesmolten goud voortkomende van de juwelen die volgens het huwelijkscontract een eigen goed vormden, ook een eigen goed van haar blijven. IV. De werkwijze van de fiscus ten aanzien van de aanslag feitelijk gescheiden echtgenoten in de personeninkomstenbelastingen betreft alleen het fiscale aspect maar niet het burgerlijke aspect, dus niet het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van de betrokken fiscale schulden zelf.V. Bij toepassing van artikel 1223 Ger. W. kan de boedelrechter aan de boedelnotaris opdragen een nieuwe staat van vereffening op te maken overeenkomstig de door de boedelrechter gegeven richtlijnen. Het is wenselijk dat de deelgenoten kunnen beschikken over een overzichtelijke staat van vereffening-verdeling.VI. Het declaratieve karakter van de verdeling, meer bepaald de toewijzing bij voorrang van de gezinswoning, sluit het verschuldigd zijn van een woonstvergoeding niet uit. De hier bedoelde declaratieve kracht betreft daden van beschikking, maar niet het genot of de vergoeding voor het genot en het gebruik van een onverdeeld goed tijdens de duur van de onverdeeldheid.VII. De kosten en erelonen van de schenkingen gedaan ten voordele van een echtgenoot gehuwd onder een stelsel van gemeenschap vormen een eigen schuld van de begiftigde echtgenoot. Hij wordt vermoed deze kosten betaald te hebben met gemene gelden wanneer hij niet het bewijs levert deze eigen schuld betaald te hebben met eigen gelden.VIII. De verjaringstermijn voor kosten en ereloon van de notaris is vijf jaar, behoudens gronden van stuiting of schorsing (= artikel 7 van de wet van 31 augustus 1891 op de erelonen van de notarissen. Deze verjaringstermijn is echter niet van toepassing in de verhouding tussen (ex)echtgenoten.(...)I. Voorwerp van de vorderingen.1.1. Huidige vordering heeft betrekking op de beweringen en zwarigheden ingeroepen door beide partijen n.a.v. de vereffening en verdeling van hun huwelijksgemeenschap. 1.2. (...)1.3. Bij tussenarrest van 26 oktober 2010 werden een aantal concrete vragen gesteld aan partijen en werd om deze reden de heropening van de debatten bevolen.II. De feiten.Voor de goede orde herneemt het hof hierbij een aantal relevante feiten:- 25 juli 1966: huwelijk van partijen onder het toenmalige stelsel van de gemeenschap van aanwinsten, zoals vastgesteld bij de oude artikels 1498 en 1499 B.W. dat niet het voorwerp heeft gemaakt van een akte van handhaving of van minnelijke wijziging;- 10 januari 1984: verzoekschrift tot echtscheiding neergelegd door appellante op grond van bepaalde feiten dat niet heeft geleid tot enige rechterlijke uitspraak;- 8 maart 1984: beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven waarbij (1) appellante toegelaten werd in de gezinswoning te blijven en (2) notaris Y. uit D. aangesteld werd teneinde een boedelbeschrijving op te maken van alle goederen afhangende van de huwelijksgemeenschap;- 28 juni 1984: datum waarop deze boedelbeschrijving werd opgesteld;- 4 en 10 september 1984: datum waarop notaris Z. uit D. en expert L. overgingen tot het opstellen van een inventaris na verzegeling van de gezinswoning en de handelsuitbating BVBA Va.;- 30 januari 1986: datum waarop geïntimeerde bij conclusie een tegenvordering instelde tot het bekomen van de echtscheiding op grond van overspel/feitelijke scheiding;- 29 september 1986: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven waarbij de echtscheiding werd uitgesproken op grond van overspel (= tegenvordering van geïntimeerde);- 24 oktober 1989: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven waarbij de gezinswoning samen met de inboedel bij voorrang toegekend werd aan appellante;- 18 december 1990 en 25 november 1991: verslag en aanvullend verslag van deskundige VDH waarbij de venale waarde van de gezinswoning geraamd werd op 3.400.000 BEF, inboedel niet inbegrepen.III. Bespreking.3.1. Vragen die het voorwerp waren van de heropening van de debatten bevolen bij tussenarrest van 26 oktober 2010:3.1.1. Bij tussenarrest van 26 oktober 2010 verzocht het hof de partijen te concluderen over volgende twee punten:• de toepassing van het oude en/of het nieuwe huwelijksvermogensrecht op het oude conventioneel stelsel van de gemeenschap van aanwinsten van de echtgenoten Va.-V. (overgangsbepalingen van de nieuwe huwelijksvermogenswet); • de concrete spildatum bij de vereffening van deze gemeenschap na echtscheiding (artikel 1278 Ger. W.).Hierop legde geïntimeerde een conclusie neer waarin hij stelde dat: - in deze uitsluitend het nieuwe huwelijksvermogensrecht in aanmerking kwam;- de datum van 10 januari 1984 als spildatum in de zin van artikel 1278 Ger.W. diende aangehouden te worden.3.1.2. Partijen zijn gehuwd onder het toenmalige conventionele huwelijksvermogensstelsel van de gemeenschap van aanwinsten zoals vastgesteld door de (oude) artikels 1498 en 1499 B.W., ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris G. te D. op 22 juli 1966. De echtgenoten hebben tijdens het overgangsjaar van 28 september 1976 tot 27 september 1977 geen notariële akte van handhaving in de zin van artikel 1,1° van de nieuwe huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 laten verlijden. Het huwelijkscontract maakte evenmin het voorwerp uit van een akte van handhaving of van een akte van minnelijke wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk.3.1.3. Dit betekent in concreto dat bij de behandeling van onderhavig vereffeningsdossier hoger vermeld huwelijkscontract toegepast dient te worden in combinatie met artikel 1,3° van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976. Dit brengt o.a. met zich mede dat noch de nieuwe regels inzake de toewijzing bij voorrang (nieuwe art. 1446 en 1447 B.W.) noch de nieuwe regels inzake de vergoedingen (art. 1432 tot 1436 B.W.) van toepassing zijn. Overeenkomstig artikel 1,3° van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 zijn de regels van het oude huwelijksvermogensrecht inzake ontbinding, vereffening en verdeling - met inbegrip van de oude vergoedingsregels - wel van toepassing. Binnen het oude huwelijksvermogensrecht bestaat er geen recht van toewijzing bij voorrang van de gezinswoning - incluis de inboedel - en geen re-evaluatie van de vergoedingen. 3.1.4. Samengevat betekent dit dat overeenkomstig artikel 1,3° van de overgangsbepalingen van de huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 de nieuwe regels inzake het passief, de rechten van de schuldeisers en van het bestuur van de vermogens, wel van toepassing zijn op partijen sinds 28 september 1977 doch de oude, oorspronkelijke regels van het Burgerlijk Wetboek op hen van toepassing zijn en blijven voor alles wat betreft het actief van hun oude gemeenschap van aanwinsten, de ontbinding, de vereffening en verdeling ervan, met inbegrip van de oude vergoedingsregels en de afwezigheid van het recht van overname m.b.t. de preferentiële goederen. 3.1.5. De boedelnotaris hield de datum van 10 januari 1984 aan als spildatum.De vraag rijst echter of de datum van 30 januari 1986 (= de datum van tegenvordering die tot echtscheiding leidde) niet als spildatum dient beschouwd te worden.Appellante diende weliswaar op 10 januari 1984 een verzoekschrift tot echtscheiding in op grond van bepaalde feiten (overspel, gewelddaden, mishandelingen en/of grove beledigingen) gevolgd door een dagvaarding betekend op 6 september 1984. Er wordt echter niet aangetoond dat deze vordering tot de echtscheiding leidde.Geïntimeerde diende op 30 januari 1986 - bij conclusie - een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT