Vonnis nr. 06/11441/A van Arbeidsrechtbank, Brussel, 8 januari 2010

Datum uitspraak: 8 januari 2010
Uitgevende instantie::Brussel
 
GRATIS UITTREKSEL

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL23ste kamer - openbare zitting van 08 januari 2010 VONNISA.R.. nr 11441/06Arbeidsovereenkomst bediende Aud. nr Rép. nr 010/ IN DE ZAAK :De Heer A,wonende teeisende partij, verschijnende in persoon, bijgestaan door Mter Guido Lamal, advocaat te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Leuvensesteenweg, 369; TEGEN : De N.V. BRUSSELS AIRLINES, voorheen DELTA AIR TRANSPORT, afgekort D.A.T., handel drijvend onder de benaming (SN) BRUSSELS AIRLINES, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Jaargetijdenlaan, 100-102, bus 3, KBO nr. 0400.853.488, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mter Jef Degrauwe, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei, 92;Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek, De procedureDe rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:· de gedinginleidende dagvaarding betekend op 29 juni 2006;· de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 21 september 2006;· de conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 30 november 2006;· de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 30 januari 2007;· de aanvullende conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 2 april 2007;· de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 30 april 2007;· de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 4 juni 2007;· de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 11 september 2007;· de tweede aanvullende conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 21 december 2007;· de conclusies na voortzetting der debatten van eisende partij neergelegd ter griffie op 7 februari 2008;· de syntheseconclusies na voortzetting der debatten van verwerende partij neergelegd ter griffie op 7 maart 2008;· de syntheseconclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 15 oktober 2008;· de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 november 2008;· de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 3 maart 2009;· de syntheseconclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 28 mei 2009;· de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 augustus 2009;· en van de dossiers van partijen;De verzoeningspoging ter zitting van 13 november 2009 mislukte.De partijen hebben gepleit ter voornoemde zitting, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.I. DE VORDERINGEN:A. HOOFDVORDERING.De vordering van eisende partij, zoals uitééngezet in syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 28 mei 2009, strekt ertoe:In hoofdorde:Verweerster te horen veroordelen tot betaling van:1. Een vergoeding op grond van artikel 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden overeenstemmende met 3 jaar loon, hetzij 416.097,51 EURO bruto provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten op dit brutobedrag vanaf 23 mei 2006.2. Een vergoeding bedoeld in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden op grond van artikel 17 van dezelfde wet ten bedrage van 288.956,60 EURO bruto provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten op dit brutobedrag vanaf 23 mei 2006.3. Een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ten bedrage van 69.349,59 EURO provisioneel, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 21 juni 2006.De bovenvermelde intresten op de beschermingsvergoeding te kapitaliseren conform artikel 1154 B.W., en te zeggen voor recht dat de door DAT verschuldigde intresten worden gekapitaliseerd op 15 oktober 2008 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen.De bovenvermelde intresten op de schadevergoeding te kapitaliseren conform artikel 1154 B.W., en te zeggen voor recht dat de door DAT verschuldigde intresten worden gekapitaliseerd op 15 oktober 2008 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen.DAT met toepassing van de artikelen 877 en 878 Ger. W. te bevelen stukken over te leggen waaruit de werkgeversbijdrage aan de hospitalisatieverzekering blijkt. DAT te veroordelen tot afgifte van een aangepast formulier C4, onder verbeurte van een dwangsom van 125 EUR per dag vertraging te rekenen vanaf 1 week na de betekening van het tussen te komen vonnis.DAT tevens te veroordelen tot de gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding voorzien in artikel 1022 Ger. W, begroot op 20.000,00 Euro.Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch aanbod van kantonnement. In ondergeschikte orde:De heer A toe te laten met alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen, het bewijs te leveren dat:- DAT zonder veel moeite het werkschema van een piloot kan aanpassen, om hem bepaalde bestemmingen wel of niet toe te kennen,- DAT op verzoek van de heer A hem in de maanden voorafgaand aan mei 2006, zoveel mogelijk bestemmingen toekende naar Italië en Frankrijk.In uiterst ondergeschikte orde:Het Arbitragehof te vatten met volgende prejudiciële vraag:De vraag rijst of het feit dat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar niet tot gevolg heeft dat leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet daar enerzijds de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar ?XXXVerweerster besluit tot het volgende:In hoofdorde:De vorderingen van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en dienvolgens af te wijzen.Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding op grond van artikel 1022 Ger.W., aan de zijde van verweerster begroot op 20.000 EUR.In ondergeschikte orde:Verweerster toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat eiser, bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, 73% van de geprogrammeerde vluchten van juni 2006 niet meer zou kunnen uitvoeren.Verweerster toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat eiser, bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, niet meer als reservepiloot kon worden opgesteld.In dat geval de kosten aan te houden.In meer ondergeschikte orde:Indien de Arbeidsrechtbank, per impossibile, van oordeel zou zijn dat de zogenaamde Rule of 60, die voortvloeit uit het Internationaal Verdrag "Convention on International Civil Aviation" van Chicago van 7 december 1944 en die ten aanzien van piloten strikt geïmplementeerd werd in diverse landen, waaronder Frankrijk (vliegverbod) en Italië (verbod om te landen en op te stijgen), en in België geïmplementeerd werd in die zin dat een piloot ouder dan 60 jaar slechts een vliegtuig mag besturen onder de beperkende cumulatieve voorwaarden vermeld in artikel 21 van het KB van 10 januari 2000 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen geen situatie van overmacht deed ontstaan waardoor de arbeidsovereenkomst van eiser een einde nam per 23 mei 2006, de volgende prejudiciële vragen te richten aan het Grondwettelijk Hof:Vraag 1De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij verweerster, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de beschermde piloten-werknemers dat discriminerend is ten opzichte van de niet-beschermde piloten-werknemers?Conform artikel 83 WAO, kunnen de niet-beschermde piloten-werknemers immers reeds in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden, en deze piloten worden ook de facto uiterlijk in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 60 jaar ontslagen gelet op de operationele moeilijkheden waarmee de werkgever zoniet wordt geconfronteerd in het licht van de Rule of 60.De beschermde werknemers daarentegen genieten van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar, ex artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart 1991.Vraag 2De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij verweerster, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de werkgevers in de sector van de burgerlijke luchtvaart die in de feiten geen beschermde werknemers tewerkstellen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, in vergelijking met die luchtvaartmaatschappijen waar zich onder de beschermde werknemers wel leden van het stuurpersoneel bevinden die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt?In dat geval de kosten aan te...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT