25 JUNI 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de uitvoering van het kunstendecreet van 2 april 2004

Belgisch Staatsblad, 25 Août 2004

Wettelijke Bekendmakingen en Verschillende Berichten - MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

Relié comme:




Extrait


25 JUNI 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de uitvoering van het kunstendecreet van 2 april 2004

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991;

Gelet op het kunstendecreet van 2 april 2004;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 mei 2004;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 8 juni 2004, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd, en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° het decreet : het kunstendecreet van 2 april 2004;

2° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur;

3° activiteiten : als activiteiten worden onder meer beschouwd : presentaties, voorstellingen, zelf geproduceerd of gepresenteerd, happenings, manifestaties, tentoonstellingsdagen, publieksdagen, publicaties, lezingen, vormingsmomenten, workshops, onderzoek, colloquia;

4° artistieke uitgaven : alle kosten die rechtstreeks verband houden met de artistiek - inhoudelijke werking;

5° financiering van de medewerkers : de totale kost voor de prestaties van werknemers en zelfstandige kunstenaars, ongeacht of deze laatste prestaties rechtstreeks dan wel middels een vennootschap worden gefactureerd.

Art. 2. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst, bedoeld in het decreet, is de entiteit binnen de Vlaamse administratie bevoegd voor de professionele kunsten, hierna de administratie te noemen.

HOOFDSTUK II. - Subsidiëring van kunstenorganisaties

Afdeling I. - Subsidiëring voor het geheel van de werking

Onderafdeling I. - Technieken en vormen van subsidiëring

Art. 3. § 1. De subsidies, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld :

1° in elk werkingsjaar worden er drie schijven van telkens 25 procent van de totale subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, uitbetaald vanaf respectievelijk 1 januari, 1 april en 1 juli;

2° een vierde schijf van 23 procent van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald vanaf 1 oktober;

3° het saldo van 2 procent van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden.

§ 2. De minister kan minimumbedragen bepalen voor de subsidiëring voor het geheel van de werking.

Art. 4. § 1. Een aanvraag tot meerjarige subsidiëring als bedoeld in artikel 6, § 1, van het decreet, moet door organisaties als bedoeld in artikel 3, 1°, a, tot en met j, en l, en m, van het decreet, per aangetekende brief naar de administratie verstuurd worden of tegen ontvangstmelding aan de administratie bezorgd worden. Het aantal in te dienen exemplaren moet gelijk zijn aan het aantal leden van de beoordelingscommissie of ad hoccommissie waaraan de aanvraag wordt voorgelegd en drie exemplaren voor de administratie.

§ 2. Een aanvraag tot meerjarige subsidiëring moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de georganiseerde activiteiten als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de basisvoorwaarden en beoordelingscriteria, bepaald in artikel 7, 8 en 9 van het decreet. Die informatie en documenten moeten opgenomen worden in het artistiek en financieel beleidsplan, bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen.

Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten :

1° een kopie van de statuten van de aanvrager van de subsidie zoals deze op het ogenblik van zijn aanvraag van kracht zijn en in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werden, ofwel een kopie van het besluit tot inrichting van het initiatief;

2° de ledenlijst van de raad van bestuur van de aanvrager zoals deze samengesteld was op het ogenblik van de aanvraag en gepubliceerd werd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad, ofwel de lijst van verantwoordelijken voor het initiatief;

3° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan voldaan worden aan de basisvoorwaarden, genoemd in artikel 7 van het decreet, aan de beoordelingscriteria, genoemd in artikel 8 van het decreet en de bijkomende subsidiëringvoorwaarden, genoemd in artikel 9 van het decreet;

4° een overzicht van de voorbije werking, indien van toepassing.

Art. 5. De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In het geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan.

Art. 6. § 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad hoccommissie beoordeelt de artistiek-inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag tot subsidiëring en brengt daaro...

Voir le contenu complet de ce document