19 NOVEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen

 
GRATIS UITTREKSEL

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11, § 1, vervangen bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, inzonderheid op artikel 99, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 1995, op artikel 100, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wet van 21 december 1994, op artikel 100bis ingevoegd door de wet van 21 december 1994, op artikel 102, ingevoegd door het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 1995 en op artikel 102bis, ingevoegd door de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1995;

Gelet op de herstelwet van 31 juli 1984, inzonderheid op artikel 16, § 4, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op artikel 4, § 2, 1°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de rijksambtenaren, inzonderheid op artikel 28ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 februari 1985 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 maart 1993 en 15 maart 1993, op artikel 102, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 2 april 1975, 5 april 1976, 24 november 1978, 22 januari 1979, 16 november 1981, 18 november 1982, 9 juli 1985, 28 februari 1986, 16 april 1991, 21 november 1991 en 4 maart 1993 en het artikel 106, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 26 mei 1975, 27 juli 1981 en 30 maart 1983 en het artikel 108, gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 november 1967;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993 en 15 september 1997, op artikel 33, op de artikelen 43 tot 47 en op het artikel 48;

Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 39, derde lid, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 et 29 december 1990;

Overwegende dat het past om de taak te vergemakkelijken van de overheden die met het uitvoeren van deze reglementaire bepalingen zijn belast, en gelet op de bedoeling om de rechtspositie van de ambtenaren inzake verlofreglementering doorzichtiger te maken, sommige bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden die aan sommige personeelsleden van het federale bestuur worden toegestaan, in één besluit op te nemen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 juni 1997;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 1 juli 1997;

Gelet op het protocol nr. 98/3 van 19 maart 1998 van het gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 282 van 23 maart 1998 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;

Gelet op de beraadslaging van de Ministerraad, op 2 april 1998, betreffende de adviesaanvraag binnen een termijn van één maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 9 juli 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op de rijksambtenaren, die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.

§ 2. Dit besluit is van toepassing op de stagiairs, met uitzondering van de bepalingen betreffende :

1° het verlof tijdens de duur van een stage of proefperiode en tijdens de duur van een verkiezingscampagne;

2° het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte;

3° de disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;

4° het opleidingsverlof;

5° het verlof voor opdracht van algemeen belang;

6° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;

7° het verlof voor loopbaanonderbreking;

8° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid.

§ 3. Voor het bij overeenkomst in dienst genomen personeel zijn de bepalingen van toepassing betreffende :

1° het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen;

2° het omstandigheidsverlof;

3° het verlof voor het afstaan van organen of weefsels en voor het afstaan van beenmerg;

4° het verlof voor deelname aan een assisenjury;

5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;

6° het ouderschapsverlof;

7° het opvangverlof;

8° de opvang, de dienstvrijstellingen voor opleiding en de opleidingsverloven;

9° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet.

Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :

1° de ambtenaar of ambtenaren : de persoon of personen bedoeld in artikel 1;

2° werkdagen : de dagen waarop de ambtenaar verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die hem opgelegd is.

§ 2. Tijdens de afwezigheden bedoeld in artikel 1, § 3 behoudt het personeel dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst zijn wedde en zijn aanspraken tot bevordering in zijn weddeschaal, behoudens andere bepalingen.

Art. 3. De ambtenaar mag niet afwezig zijn van zijn dienst tenzij hij vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen.

Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten.

Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.

Art. 4. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.

Dit artikel is niet van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.

Art. 5. De deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft evenwel geen recht op zijn wedde.

Het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen dat deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking, heeft geen recht op wedde maar behoudt zijn rechten tot bevordering in zijn weddeschaal.

Art. 6. De gemiddelde maximum arbeidsduur mag per week 38 uur niet overschrijden.

Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.

Art. 7. Al de ambtenaren die titularis zijn van een graad van rang 13 of van een hogere rang zijn uitgesloten van de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid, van de voltijdse en de deeltijdse loopbaanonderbreking en van de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. De minister bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, uitgesloten zijn van dezelfde verloven en afwezigheden.

De secretaris-generaal kan evenwel, in de gevallen waarin de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord, de titularissen van de ambten, uitgesloten door of krachtens het eerste lid, die erom verzoeken toestaan om de verloven en de afwezigheden te genieten opgesomd in hetzelfde lid.

Art. 8. De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen bedoeld in dit besluit worden toegekend door de secretaris-generaal of door het hoofd van het bestuur aan wie hij deze bevoegdheid heeft toegekend, met uitzondering echter van, de twee volgende verloven die worden toegekend door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert :

1° het verlof voor opdracht van algemeen belang;

2° het verlof om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een minister of een staatssecretaris, of bij het kabinet van de voorzitter of een lid van de regering van een Gemeenschap of een Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie of bij het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommisie.

De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen worden toegekend aan de secretaris-generaal door de minister onder wie deze ressorteert.

Art. 9. Voor de toepassing van dit besluit worden de bevoegdheden toegekend aan de secretaris-generaal, in de ministeries waar dit ambt niet bestaat, uitgeoefend door de ambtenaar-generaal daartoe door de minister aangeduid.

HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof en feestdagen

Art. 10. § 1. De ambtenaar heeft recht op jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald :

minder dan vijfenveertig jaar : vierentwintig werkdagen;

van vijfenveertig tot negenenveertig jaar : vijfentwintig werkdagen;

van vijftig jaar af : zesentwintig werkdagen.

§ 2. De ambtenaar geniet een bijkomend vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald :

1° op zestig jaar : één werkdag;

2° op éénenzestig jaar : twee werkdagen;

3° op tweeënzestig jaar : drie werkdagen;

4° op drieënzestig jaar : vier werkdagen;

5° op vierenzestig jaar : vijf werkdagen.

Art. 11. Het jaarlijks vakantieverlof...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT