Koninklijk besluit betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel.

Wetgeving › Sección Única

Gelinkt als:

Extract


Koninklijk besluit betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel.

TITEL I. - Algemene bepalingen.

HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen.

Artikel 1. De gemeenten zijn ertoe gehouden aan de personen, die werkelijk van haar personeel deel uitmaken, en aan dezer rechtverkrijgenden, een minimum-pensioen, vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit samengeschakelde regelen, te verzekeren.

Onder voorbehoud van artikel 6, eerste lid, en van artikel 22, tweede lid, mogen de gemeentelijke pensioenen, in geen geval, de drie vierden van de gemiddelde wedde der laatste vijf jaren overtreffen.

Zoowel op de rustpensioenen als op de weduwen- en weezenpensioenen, evenals op alle bewilligingen in de plaats daarvan, welke door de gemeenten of de daaronder ressorteerende instellingen, of door hun eigen voorzorgskassen worden uitgekeerd, zijn de eventuele verhoogingen of verlagingen, voorzien bij de artikelen 26 en 103, verplicht van toepassing. Wanneer echter het uitgekeerde pensioen hooger is dan het wettelijke, wordt, voor het bepalen der afwijkingen, het index-cijfer van het voorlaatste kwartaal in de plaats van de voorlaatste maand gesteld.

Art. 2. Worden voor de toepassing van dit besluit beschouwd als werkelijk van het gemeente personeel deel uitmakende, alle bezoldigde of loontrekkende, voorloopige of vaste ambtenaren, die een bediening uitoefenen of wien een gemeentelijke dienst is opgedragen.

Zijn van het voordeel der nieuwe regeling uitgesloten, de personen, die tot wederopzeggens voor een buitengewoon, tijdelijk of toevallig werk zijn aangeworven.

Is evenmin bedoeld, het administratief of onderwijzend personeel van de gemeentelijke onderwijsinrichtingen telkens wanneer het reeds begunstigd is met een bijzondere regeling gewaarborgd bij de wetten van 16 Mei 1876, 31 Maart 1884, 25 Augustus 1901, 18 Mei 1912, 10 Juni 1937, enz.

Art. 3. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de gewestelijke ontvangers, op de brigadier-veldwachters en op de ambtenaren der onder de gemeente ressorteerende instellingen en der vereenigingen van gemeenten.

Art. 4. De pensioenleeftijd wordt vastgesteld op ten minste zestig en ten hoogste zeventig jaar.

De gemeenteambtenaren, die vóór 1 Januari 1934 in actieven dienst waren en zonder bepaling van leeftijdsgrens benoemd werden, mogen evenwel tot op den vollen leeftijd van zeventig jaar in dienst blijven.

Art. 5. De gemeenten, die rechtstreeks noch door bemiddeling van een voorzorgsinstelling in het pensioen van haar personeel noch in dat der weduwen en wezen voorzien, worden aangesloten bij de omslagkas voor gemeentelijke pensioenen, ingesteld bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken (...). .

Art. 6. De gemeenteambtenaren, die op 1 Januari 1934 ter zake van pensioen een gunstiger regeling genieten, blijven daarmee begunstigd.Mocht de voorzorgsinstelling, waarbij de gemeente aangesloten is, niet kunnen instaan voor het heele pensioen, zoals het bij dit besluit is voorzien, dan wordt het verschil rechtstreeks door de gemeente betaald.

Art. 7. De gemeenten mogen op de personeelswedden een korting van ten hoogste 6 th inhouden, om ieder jaar het krediet voor de pensioenuitgaven te stijven.

HOOFDSTUK II. - Rustpensioenen.

Afdeeling I. - Pensioensaanspraak.

Art. 8. De in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde ambtenaren verkrijgen op 65-jarigen leeftijd en na dertig jaren pensioengerechtigde diensten aanspraak op het normaal anciënniteitspensioen.

Het vereischte omtrent den 65 jarigen leeftijd wordt vervangen door de leeftijdsgrens, welke de gemeente bij toepassing van artikel 4, lid 1, bepaald heeft, wanneer deze grens niet de 65-jarige leeftijd is.

Art. 9. Dezelfde ambtenaren verkrijgen aanspraak op pensioen wanneer zij, ongeacht hun leeftijd, niet meer in staat bevonden worden om wegens gebrekkigheden hun ambt verder uit te oefenen, op voorwaarde dat zij ten minste tien jaren dienst hebben.

De tienjarige voorwaarde wordt op vijf gebracht, ingeval de gebrekkigheden aan de ambtsuitoefening te wijten zijn; de vereischte dienstduur vervalt moest de ambtenaar, ten gevolge van verwondingen of ongevallen, overkomen in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt, in de onmogelijkheid gesteld worden zijn ambt verder waar te nemen of het te hervatten.

Art. 10. § 1. De gevallen van ziekte, gebrekkigheden, ongevallen, waardoor de oppensioenstelling kan gewettigd worden, worden eerst vastgesteld door de bij de wet...

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Gesponsorde links




ver las páginas en versión mobile | web

ver las páginas en versión mobile | web

© Copyright 2012, vLex. Alle rechten voorbehouden.

Inhoud van vLex België

Verken vLex

Voor professionals

Voor Partners

Bedrijf