15 OCTOBER 1935. - Koninklijk besluit. - [Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.] <Opschrift gewijzigd bij KB 07-09-1950, art. 1, § 1> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1993 en tekstbijwerking tot 16-03-2007).

Wetgeving

Última modificación 25-10-1936

Relié comme:




Extrait


15 OCTOBER 1935. - Koninklijk besluit. - [Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.] <Opschrift gewijzigd bij KB 07-09-1950, art. 1, § 1> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1993 en tekstbijwerking tot 16-03-2007).

TITEL I. - SCHEEPVAARTVOORSCHRIFTEN TOEPASSELIJK OP VAARTUIGEN, VLOTTREINEN EN VLOTTEN.

HOOFDSTUK I. - Voorwaarden om te mogen varen.

Artikel 1. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel ) Vaartuigen, vlottreinen en vlotten mogen niet varen, indien ze wegens hun afmetingen of die hunner lading, niet gemakkelijk kunnen varen door bruggen, sluizen en andere kunstwerken, waarvan de bruikbare afmetingen (De bruikbare lengte eener gewone sluis is de afstand, in rechte lijn, tusschen de koord van den stortmuur en de kamer der benedensluisdeuren. Wanneer er geen stortmuur is, wordt de afstand gemeten tusschen voormelde kamer en de koord van den bovenslagdrempel.) voor elken waterweg door de bijzondere reglementen vastgesteld zijn. Deze stellen ook de grootste diepgangen vast.

(Een vaartuig mag slechts een sluis binnenvaren wanneer zijn lengte (roer inbegrepen) ten minste 0m30 minder en zijn breedte ten minste 0m20 minder bedragen dan die van de sluis. Bij wijze van tolerantie mag de breedte van het vaartuig slechts 0m10 minder bedragen in de sluizen waarvan de bruikbare breedte niet meer dan 5m20 bedraagt. Zo mogen ook vaartuigen die niet breder zijn dan 5m10 alle sluizen binnenvaren welke een bruikbare breedte van meer dan 5m20, maar niet meer dan 5m30 hebben.)

De hoogte van de lading of van de vaste deelen der vaartuigen boven water moet 30 centimeter minder bedragen dan de vrije hoogte, aangeduid in elk bijzonder reglement.

De vlotterrein of vlotten moeten samengesteld zijn uit deelen van hoogstens 20 meter lengte en desnoods gemakkelijk van elkander gescheiden kunnen worden. Hun breedte moet ten minste 50 centimeter minder bedragen dan die, toegelaten voor de vaartuigen, en mag 5 meter niet te boven gaan. Hun diepgang is ten minste 40 centimeter minder dan de grootste diepgang der vaartuigen.

(In principe bedraagt de maximum-diepgang, die voor motorvaartuigen wordt toegestaan, 0m25 minder dan die der gewone vaartuigen. Behoudens strijdige bepaling van de bijzondere reglementen, mogen de motorvaartuigen evenwel, bij wijze van tolerantie, met de maximum-diepgang varen die voor gewone vaartuigen is opgegeven. De schippers die van deze tolerantie gebruik maken, doen zulks op eigen risico en gevaar.)

In buitengewone gevallen en in tijd van droogde, mag de diepgang verminderd worden bij beslissing van den hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen van het ressort. Deze beslissing wordt door middel van aankondigingen kenbaar gemaakt.

Geen enkel deel der vaartuigen mag onder de kiel zoodanig uitsteken, dat de grootste geoorloofde diepgang overschreden wordt.

(Bij de vaartuigen die meer dan 10 ton meten mag de waterspiegel, om het even welke diepgang op de waterweg toegelaten is, nooit hoger reiken dan 30 cm onder enige opening waardoor water in het vaartuig kan binnendringen, nocht het gangboord waar dan ook overschrijden.)

(In uitzonderlijke gevallen en mits zekere voorwaarden door hem te bepalen, kan de hoofdingenieur-directeur van het gebied voor de schepen met grotere dan de in de bijzondere reglementen vastgestelde afmetingen een machtiging tot doorvaren afgeven, wanneer hij, na onderzoek van de bouw van het schip, van oordeel is dat de veiligheid van de scheepvaart is gewaarborgd.)

Art. 2. De vaartuigen moeten op hun achtersteven, in letters van ten minste 8 centimeter hoogte, hun naam, de goortste tonnenmaat, den naam, de beginletters der voornamen en de woonplaats van den eigenaar dragen.

In geval van hermeting, worden deze opschriften aangebracht overeenkomstig de voorschriften van litt. B van het hiernavolgend artikel 75.

(Derde lid opgeheven)

(Vierde lid opgeheven)

Art. 3. (Opgheven)

Art. 4. (NOTA : art. 4, punt 2, opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel ) Geen vaartuig, vlottrein of vlot mag varen, zo het gevaar loopt te zinken ten gevolge van gebrekkigen bouw, ouderdom, overlading of averij.

De ingenieur van het ressort of zijn afgevaardigde mag, op gelijk welk punt van de waterwegen, de daartoe noodige onderzoekingen doen.

Elk schip dat zich in slechten staat bevindt, wordt opgehouden en mag zijn weg niet voortzetten alvorens het behoorlijk hersteld is.

(De deklading der schepen moet zich ten minste 10 centimeter binnen het vlak der zijgangen van het schip bevinden en moet zodanig gestuwd zijn dat ze tijdens het stilliggen of het varen van de schepen niet in de bedding van de waterweg kan storten.)

Elk...

Voir le contenu complet de ce document