Vonnis van Raad van State, 13 maart 2000

Gelinkt als:

Samenvatting


De snelheid waarmee een vordering tot schorsing moet worden afgewikkeld, verzet zich tegen het stellen van een prejudiciële vraag.

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Extract


Vonnis van Raad van State, 13 maart 2000

RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.

A R R E S T nr. 85.872 van 13 maart 2000 in de zaak A. 87.519/IX-2058.

In zake :

Peter SUENAERT, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VANDE CASTEELE, kantoor houdende te BRUSSEL,

Vossendreef 6, bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging.

DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER,

Gezien het verzoekschrift dat Peter SUENAERT op 27 oktober 1999 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van "de beslissing van 9 augustus 1999 houdende weigering van zijn aanvraag strekkende tot vrijwillig ontslag met ingang op 1 augustus 1999";

Gezien het gelijktijdig ingediende verzoek- schrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de ver- nietiging vordert van dezelfde beslissing;

Gezien de nota van de verwerende partij;

Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS;

Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen;

Gelet op de beschikking van 25 januari 2000 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2000;Gehoord het verslag van staatsraad A. BEIRLAEN;

Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. VERMEIRE die, loco advocaat Ph. VANDE CASTEELE, verschijnt voor verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij;

Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur R. AERTGEERTS;

Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

1. Over de gegevens van de zaak.

Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat :

1.1.

Op 7 mei 1999 vraagt verzoeker zijn ontslag uit het kader der beroepsofficieren op datum van 1 augustus 1999.

In zijn aanvraag vermeldt verzoeker om- standig de redenen van zijn ontslagaanvraag. Hij wijst er, onder meer, op dat hij sinds 1 augustus 1995 geniet van tijdelijke ambtsontheffingen wegens persoonlijke aangelegenheden, dat hij werkzaam is als geneesheer- specialist in opleiding in de inwendige ziekte en dat hij deze functie wenst verder te zetten.

1.2.

Op 9 augustus 1999 beslist de minister van Landsverdediging met betrekking tot de aanvraag tot ontslag van 7 mei 1999 als volgt : "ONTSLAGAANVRAAG

Betreft : Med Lt BO SUENAERT Peter (...)Beslissing : Geweigerd Motivering in rechte : Artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroeps- officieren.

Motivering in feite :

Uit de lezing van het geciteerde artikel volgt dat het bekomen van een ontslag geen absoluut recht is, maar onderworpen is aan een beoordeling van de minister, die het individueel belang moet afwegen tegenover het algemeen belang.

De encadreringssituatie in de categorie van de geneesheren-omnipractici is ...

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Gesponsorde links




ver las páginas en versión mobile | web

ver las páginas en versión mobile | web

© Copyright 2012, vLex. Alle rechten voorbehouden.

Inhoud van vLex België

Verken vLex

Voor professionals

Voor Partners

Bedrijf