Arrest nr. 68/2002 van Grondwettelijk Hof, 28 maart 2002

Gelinkt als:

Samenvatting


Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (art. 7, tweede lid)

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Extract


Arrest nr. 68/2002 van Grondwettelijk Hof, 28 maart 2002

In zake : de prejudiciële vraag over artikel 7 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, gesteld door de vrederechter van het kanton Westerlo.

Het Arbitragehof,

samengesteld uit voorzitter A. Arts en rechter L. François, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 11 januari 2002 in zake de c.v. Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen tegen A. Helsen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 januari 2002, heeft de vrederechter van het kanton Westerlo de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op zichzelf beschouwd en samengelezen met de artikelen 13 en 160 van de Grondwet en de artikelen 6, § 1, en 14, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat door voormeld...

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Gesponsorde links




ver las páginas en versión mobile | web

ver las páginas en versión mobile | web

© Copyright 2012, vLex. Alle rechten voorbehouden.

Inhoud van vLex België

Verken vLex

Voor professionals

Voor Partners

Bedrijf