Arrest nr. C.05.0321.F van België, 7 juni 2007

Gelinkt als:

Extract


Arrest nr. C.05.0321.F van België, 7 juni 2007

Nr. C.05.0321.F

GEMEENTE WANZE,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. INRICHTENDE MACHT SCHOOL SAINT-MARTIN,

2. D.V. F.,

3. a. L. A.,

b. C. V.,

4. a. D. P.,

b. H. S.,

5. a. G. H.,

b. R. M.,

6. L. G.,

7. P. A.,

8. M. M.,

9. J. A.-C.,

10. G. J.,

11. B. M.,

12. C. G.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest met algemeen rolnummer 2001/AR/575, op 20 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan :

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals die bepaling in de Franse Gemeenschap van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen;

- de artikelen 2 en 3 van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen;

- artikel 9, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof;

- artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen beginsel volgens hetwelk de wet niet terugwerkt in de tijd;

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de kosten voor buitenschoolse klassen op zijn minst moeten worden aangemerkt als "bijkomende" voordelen, zoals ze door het Arbitragehof zijn omschreven, en dat die voordelen aan de leerlingen van de op het grondgebied van de eiseres gelegen scholen van het vrij onderwijs moeten worden toegekend in dezelfde mate als aan haar eigen onderwijsnet. Het beslist aldus op de volgende gronden:

"Wat betreft de historiek van het opgeworpen probleem

De partijen discussiëren uitvoerig over het begrip sociaal voordeel zoals dat is opgevat in de wetgeving op het onderwijs;

De omstandigheden waaronder dat begrip gestalte kreeg in het Schoolpact wordt door de partijen niet betwist;

Artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 vermeldt dat de financiële tussenkomst van de provincies en de gemeenten ten bate van het vrij onderwijs in beginsel beperkt wordt tot het gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen; dat artikel legt vervolgens aan de gemeenten en de provincies de verplichting op om aan de kinderen die in het vrij onderwijs school lopen dezelfde sociale voordelen toe te kennen als aan de kinderen van de gemeente- en provinciescholen;

De toenmalige wetgever heeft dat begrip sociaal voordeel niet willen omschrijven; de parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt immers dat, ?gezien de voortdurende evolutie welke zich op dit gebied voltrekt van het begrip "sociaal voordeel", hiervan bezwaarlijk een limitatieve bepaling kan worden gegeven. In plaats van deze evolutie te remmen door een al te scherp omlijnde en bijgevolg beperkende definitie, dient er veeleer voor gezorgd te worden dat zij zich verder kan uitbreiden. De rechtspraak zal zich hieromtrent uitspreken. Het principe is nochtans zeer duidelijk' (zie Gedr. St., Kamer, 1958-1959, nr. 199/2);

Betrekkelijk snel zijn er op dat gebied twee circulaires verschenen, namelijk één van 1 juni 1960 en één van 29 november 1963;

De tweede heeft weinig belang, daar ze slechts een geringe wijziging invoert zonder werkelijk belang;

De eerste zet vooreerst de reden uiteen waarom de betrokken regel is uitgevaardigd, namelijk dat het ?in s...

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Gesponsorde links




ver las páginas en versión mobile | web

ver las páginas en versión mobile | web

© Copyright 2012, vLex. Alle rechten voorbehouden.

Inhoud van vLex België

Verken vLex

Voor professionals

Voor Partners

Bedrijf