Arrest nr. 2000331 van Arbeidshof, Antwerpen, 28 april 2004

Gelinkt als:

Extract


Arrest nr. 2000331 van Arbeidshof, Antwerpen, 28 april 2004

ARREST

A.R. 2000331

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIER

In de zaak:

W.B. NV,

met zetel te x

appellante,

verschijnend bij mr. G. WILLEMS loco mr. L. PANIS, advocaat te Genk;

tegen :

RSZ,

met zetel te x

geïntimeerde,

verschijnend bij mr. S. DE KERPEL loco mr. P. DERVEAUX, advocaat te Zaventem.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest:

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis van 20 juni 2000 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren onder A.R.

nr. 3319/1998 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 31 augustus 2000 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP.

Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard.

Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 11 februari 2004 van deze kamer.

PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN

De oorspronkelijke vordering ging uit van geïntimeerde bij exploot van 30 oktober 1998, gericht tegen appellante, strekkende tot de betaling van de som van 46.196 EUR of 1.863.569 BEF, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 24 april 1998 (datum van aanmaning), de gerechtelijke intresten en kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen.

De eerste rechter in het bestreden vonnis heeft de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en veroordeelde appellante tot betaling van de som van 1.863.569 BEF meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 24 april 1998 (datum van aanmaning), de gerechtelijke intresten en de kosten.

De eerste rechter motiveerde zijn uitspraak als volgt:

"1. De 'waarschuwing' behoort tot de bevoegdheid van de administratie (...).

De bewering als zou aanlegster nooit de waarschuwing of de minimale boete doch steeds de maximale boete uitspreken is ter zake niet dienend.

Evenmin kan gesteld worden dat het ontbreken van een eerste veroordeling vanzelfsprekend de verzachtende omstandigheid uitmaakt die de burgerlijke straf - naar beweerde analogie met strafrecht - moet herleiden tot een minimum.

Dit zou immers betekenen dat de afschrikking van de zware administratieve sanctie zonder een eerste veroordeling, zonder betekenis wordt.

2. Het arrest van het Arbitragehof dd. 07.12.1999 kent de arbeidsrechtbank inzake toepassing van de wet van 27.06.1969 volle rechtsmacht toe: de rechter mag rekening houden met verzachtende omstandigheden.

De goede trouw wordt echter niet zonder meer vermoed. (...)

Onwetendheid kan niet ingeroepen worden als grond tot verrechtvaardigen van de inbreuk: ...

...

Volledige samenvatting van dit document bekijken

Gesponsorde links




ver las páginas en versión mobile | web

ver las páginas en versión mobile | web

© Copyright 2012, vLex. Alle rechten voorbehouden.

Inhoud van vLex België

Verken vLex

Voor professionals

Voor Partners

Bedrijf