-
... à la requérante d’étayer son argumentation et d’apporter des éléments de preuve (Conseil ...
-
Het argument van de verwerende partij dat de verzoeker middels zijn beroepschrift zijn argumenten dient bij te brengen, leidt niet tot de vaststelling dat de verzoeker zich niet kan beroepen op de hoorplicht, daar het niet aan de beroepsinstantie is te oordelen of een verzoek tot horen zinvol is.
-
Seul le recours à l'envoi par recommandé confère à la requête une date certaine. L'argument de la requérante qui justifie l'envoi de sa requête par "taxipost secur\
-
Er moet een onderscheid gemaakt tussen de saneringsplicht en de uiteindelijke aansprakelijkheid voor de sanering. Het is niet omdat men saneringsplichtig is dat men noodzakelijkerwijze ook de kosten voor de sanering definitief zal moeten dragen. Het staat de saneringsplichtige immers vrij om diegene die de vervuiling heeft veroorzaakt aansprakelijk te stellen. Evenwel houdt dit niet in dat de saneringsplichtige met een zwaardere saneringslast kan worden opgezadeld dan deze die voortvloeit uit de vigerende regelgeving, en dit op grond van het argument dat de kosten later toch nog gerecupereerd kunnen worden.
-
Organen van het actief bestuur moeten de reglementering toepassen die geldt op het ogenblik van de uitspraak. Het argument dat de overheid dankzij het nemen van een onwettige beslissing zou kunnen anticiperen op wijzigingen in de regelgeving, gaat in voorliggend geval niet op. Toen verwerende partij op 28 oktober 1994 het eerste (vernietigde) besluit nam, kan het in elk geval niet de bedoeling geweest zijn om art. 33ter, §1, 1º, c van het meststoffendecreet toch toe te passen, vermits deze bepaling slechts werd ingevoegd door een decreet van 11 mei 1999 en er van een ontwerp van deze regelgeving nog geen sprake was op 28 oktober 1994.
-
De Commissie van beroep voor vergoedingspensioenen moet niet uitdrukkelijk ingaan op ieder stuk of argument dat haar wordt voorgelegd. Uit haar beslissing moet opgemaakt kunnen worden waarom de aanvraag wordt verworpen.
-
Het betreft de vergunning voor het verbouwen van een kantoorgebouw tot een studentenverblijf. Het doorslaggevend argument om ertoe te besluiten dat de ruimtelijke draagkracht voor het wonen door het vergunnen van de beoogde functiewijziging niet wordt overschreden, met name de uitbating door de Katholieke Universiteit Leuven, is niet van stedenbouwkundige aard en bovendien niet draagkrachtig. Het kan dan ook niet als een afdoende motief voor de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning worden ingeroepen.
-
Het argument dat de in haar moedertaal opgestelde en onvertaalde verklaring van verzoekster niet als antwoord op de vraag om inlichtingen kan worden aanzien, is een post factum motivering die niet in de bestr. besl. is terug te vinden. Dit argument kan niet voor de eerste maal voor de R.v.St. worden aangevoerd ter verantwoording van de bestr. besl.
-
Art. 24, § 1, 5º, Milieuvergunningsdecreet laat alleen particuliere natuurlijke personen of particuliere rechtspersonen en, behoudens de in artikel 24, § 1, 2º, 3º, 4º, Milieuvergunningsdecreet aangewezen overheden, geen andere overheidsinstellingen toe tot het instellen van het administratief beroep. Het beroep ingesteld door de Houtvesterij Groenendaal werd ten onrechte ontvankelijk verklaard. Aangezien de planologische onverenigbaarheid van de uitbating het determinerend motief vormt voor de bestreden weigeringsbeslissing, en dit argument enkel voorkomt in het beroep van de de Houtvesterij Groenendaal en niet in het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij, wordt de hele beslissing gevitiëerd. De devolutieve werking van het administratief beroep doet hieraan niets af.
-
De stelling van de verzoekende partijen dat aan het pand geen veranderingen meer zullen kunnen worden aangebracht, waardoor het onverkoopbaar zal worden, wordt niet concreet onderbouwd. Daarenboven overtuigt dit argument niet, aangezien de verzoekende partijen zelf aangeven dat zij al veel inspanningen hebben geleverd om het gebouw in goede staat te onderhouden. Er wordt dan ook niet ingezien dat een bescherming van het eigendom afbreuk zal doen aan die geleverde inspanningen.